Naar de inhoud

afspiegelen

doen voorkomen

afspiegelen

werkwoord ˈɑfspiɣələ(n)

Betekenis

  1. doen voorkomen
  2. zich ~: weerkaatst worden

Hoe spreek je afspiegelen uit?

/ˈɑfspixələn/

Afspiegelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfspixələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
p pak
i riet
x acht
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afspiegelen

afspiegelenhele werkwoord — spiegelde afverleden tijd enkelvoud — spiegelden afverleden tijd meervoud — afgespiegeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spiegel af spiegelde af
jij spiegelt af spiegelde af
hij, zij, het spiegelt af spiegelde af
wij spiegelen af spiegelden af
jullie spiegelen af spiegelden af
zij spiegelen af spiegelden af
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te spiegelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen spiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal spiegelen bijzin, toekomende tijd
af zou spiegelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden spiegelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt spiegelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen spiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen spiegelen bijzin, toekomende tijd
af zult spiegelen bijzin, toekomende tijd
afgespiegeld verleden tijd, deelwoord
afgespiegeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgespiegeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgespiegeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespiegeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespiegeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespiegeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgespiegeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgespiegeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgespiegeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgespiegeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afspiegel bijzin, tegenwoordige tijd
afspiegelde bijzin, verleden tijd
afspiegelden bijzin, verleden tijd
afspiegelend onvoltooid, deelwoord
afspiegelt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgespiegeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgespiegeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgespiegeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgespiegeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgespiegeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgespiegeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgespiegeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgespiegeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgespiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgespiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgespiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgespiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgespiegeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spiegel af gebiedende wijs
spiegel u/je af, spiegelt je af gebiedende wijs
spiegelde af verleden tijd
te hebben afgespiegeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afspiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgespiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgespiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgespiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgespiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgespiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgespiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afspiegelen bijzin, toekomende tijd
zal me afspiegelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afspiegelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afspiegelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich afgespiegeld hebben verleden tijd
zich afspiegelend onvoltooid, deelwoord
zijn afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afspiegelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afspiegelen af zou(dt) spiegelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afspiegelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgespiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afspiegelen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgespiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgespiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgespiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgespiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af en spiegelen

Woordfamilie van afspiegelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgespiegeld voltooid deelwoord afspiegelen
afgespiegelde woordvorm afspiegelen
afspiegel subordinate-clause, tegenwoordige tijd afspiegelen
afspiegelde subordinate-clause, verleden tijd afspiegelen
afspiegelden subordinate-clause, verleden tijd afspiegelen
afspiegele with-subordinate-clause afspiegelen
afspiegelend onvoltooid deelwoord afspiegelen
afspiegelende woordvorm afspiegelen
afspiegelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afspiegelen
spiegel af gebiedende wijs afspiegelen
spiegelde af verleden tijd afspiegelen
spiegelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afspiegelen
spiegele af woordvorm afspiegelen
spiegelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afspiegelen
spiegelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afspiegelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afspiegelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afspiegelen

Hoe spreek ik afspiegelen uit?
Zo spreek je afspiegelen uit: /ˈɑfspiɣələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afspiegelen?
Afspiegelen is een werkwoord. De betekenis is: doen voorkomen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afspiegelen?
Zo vervoeg je afspiegelen zo: het voltooid deelwoord is afgespiegeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afspiegelen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. P 3
  5. I 1
  6. E 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afspiegelen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. P 4
  5. I 2
  6. E 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afspiegelen in het kort

afspiegelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afspiegelen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afspiegelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afspiegelen: doen voorkomen
Deel afspiegelen — standaardnederlands.nl