Naar de inhoud

afspelen

opgenomen geluids- of beeldmateriaal opnieuw laten horen of zien

afspelen is meer dan één woord

afspelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑfspelə(n)

Betekenis

  1. opgenomen geluids- of beeldmateriaal opnieuw laten horen of zien
  2. tot het einde toe spelen
  3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
  4. zich ~: gebeuren, plaatsvinden

Hoe spreek je afspelen uit?

/ˈɑfspelən/

Afspelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfspelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
p pak
e veel
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afspelen

afspelenhele werkwoord — speelde afverleden tijd enkelvoud — speelden afverleden tijd meervoud — afgespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel af speelde af
jij speelt af speelde af
hij, zij, het speelt af speelde af
wij spelen af speelden af
jullie spelen af speelden af
zij spelen af speelden af
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal spelen bijzin, toekomende tijd
af zou spelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen spelen bijzin, toekomende tijd
af zult spelen bijzin, toekomende tijd
afgespeeld verleden tijd, deelwoord
afgespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afspeel bijzin, tegenwoordige tijd
afspeelde bijzin, verleden tijd
afspeelden bijzin, verleden tijd
afspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
afspelend onvoltooid, deelwoord
ben afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel af gebiedende wijs
speel u/je af, speelt je af gebiedende wijs
speelde af verleden tijd
te hebben afgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afspelen bijzin, toekomende tijd
zal me afspelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afspelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afspelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich afgespeeld hebben verleden tijd
zich afspelend onvoltooid, deelwoord
zijn afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afspelen af zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord afspel

Herkomst

samenstelling van af bw en spelen ww

Woordfamilie van afspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgespeeld voltooid deelwoord afspelen
afgespeelde woordvorm afspelen
afspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd afspelen
afspeelde subordinate-clause, verleden tijd afspelen
afspeelden subordinate-clause, verleden tijd afspelen
afspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afspelen
afspele with-subordinate-clause afspelen
afspelend onvoltooid deelwoord afspelen
afspelende woordvorm afspelen
speel af gebiedende wijs afspelen
speelde af verleden tijd afspelen
speelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afspelen
speelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afspelen
spele af woordvorm afspelen
spelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afspelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afspelen

Hoe spreek ik afspelen uit?
Zo spreek je afspelen uit: /ˈɑfspelə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afspelen?
Afspelen is een werkwoord. De betekenis is: opgenomen geluids- of beeldmateriaal opnieuw laten horen of zien. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afspelen?
Zo vervoeg je afspelen zo: het voltooid deelwoord is afgespeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afspelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afspelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afspelen in het kort

afspelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afspelen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afspelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afspelen: opgenomen geluids- of beeldmateriaal opnieuw laten horen of zien
Deel afspelen — standaardnederlands.nl