Naar de inhoud

afsnijden

ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten

afsnijden

werkwoord ˈafsnɛidə(n)

Betekenis

  1. ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten
  2. rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan, versperren, blokkeren
  3. een afkorting in een traject nemen, een weg bekorten
  4. afsluiten, onmogelijk maken

Hoe spreek je afsnijden uit?

/ˈafsnɛidən/

Afsnijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈafsnɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
f fiets
s sok
n nek
ɛi trein
d dak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afsnijden

afsnijdenhele werkwoord — sneed afverleden tijd enkelvoud — sneden afverleden tijd meervoud — afgesnedenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snij af sneed af
jij snijdt af sneed af
hij, zij, het snijdt af sneed af
wij snijden af sneden af
jullie snijden af sneden af
zij snijden af sneden af
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te snijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal snijden bijzin, toekomende tijd
af zou snijden bijzin, voorwaardelijk
af zouden snijden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt snijden bijzin, voorwaardelijk
af zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen snijden bijzin, toekomende tijd
af zult snijden bijzin, toekomende tijd
afgesneden verleden tijd, deelwoord
afgesneden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgesneden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgesneden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesneden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesneden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesneden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgesneden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgesneden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgesneden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgesneden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afsneden bijzin, verleden tijd
afsneed bijzin, verleden tijd
afsnij bijzin, tegenwoordige tijd
afsnijd bijzin, tegenwoordige tijd
afsnijdend onvoltooid, deelwoord
afsnijdt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgesneden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgesneden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgesneden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgesneden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgesneden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgesneden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sneed af verleden tijd
snij af gebiedende wijs
snijd af gebiedende wijs
te hebben afgesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afsnijden bijzin, toekomende tijd
zijn afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afsnijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afsnijden af zou(dt) snijden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afsnijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afsnijden bijzin, voorwaardelijk
zullen afgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en snijden ww

Woordfamilie van afsnijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgesneden voltooid deelwoord afsnijden
afsneden subordinate-clause, verleden tijd afsnijden
afsneed subordinate-clause, verleden tijd afsnijden
afsnij subordinate-clause, tegenwoordige tijd afsnijden
afsnijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd afsnijden
afsnijde with-subordinate-clause afsnijden
afsnijdend onvoltooid deelwoord afsnijden
afsnijdende woordvorm afsnijden
afsnijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afsnijden
sneden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afsnijden
sneed af verleden tijd afsnijden
snij af gebiedende wijs afsnijden
snijd af gebiedende wijs afsnijden
snijde af woordvorm afsnijden
snijden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afsnijden
snijdt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afsnijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsnijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afsnijden

Hoe spreek je afsnijden uit?
De uitspraak van afsnijden is: /ˈafsnɛidə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afsnijden?
Afsnijden is een werkwoord. Het woord betekent: ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afsnijden?
Je vervoegt afsnijden als volgt: het voltooid deelwoord is afgesneden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afsnijden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. N 1
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afsnijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. N 1
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afsnijden in het kort

afsnijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afsnijden zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afsnijden bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afsnijden: ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten
Deel afsnijden — standaardnederlands.nl