afsmelten
werkwoordBetekenis
- wegsmelten
Vervoeging van afsmelten
afsmeltenhele werkwoord — smolt afverleden tijd enkelvoud — smolten afverleden tijd meervoud — afgesmoltenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smelt af | smolt af |
| jij | smelt af | smolt af |
| hij, zij, het | smelt af | smolt af |
| wij | smelten af | smolten af |
| jullie | smelten af | smolten af |
| zij | smelten af | smolten af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te smelten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen smelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal smelten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen smelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen smelten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult smelten | bijzin, toekomende tijd |
| afgesmolten | verleden tijd, deelwoord |
| afgesmolten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesmolten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsmelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsmeltend | onvoltooid, deelwoord |
| afsmolt | bijzin, verleden tijd |
| afsmolten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smelt af | gebiedende wijs |
| smolt af | verleden tijd |
| te zijn afgesmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afsmelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgesmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesmolten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgesmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgesmolten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgesmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgesmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afsmelten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgesmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afsmelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afsmelten af zou(dt) smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afsmelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afsmelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afsmelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afsmelten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afsmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afsmelten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afsmelten af zult/zal smelten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en smelten
Woordfamilie van afsmelten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesmolten | voltooid deelwoord | afsmelten |
| afsmelte | with-subordinate-clause | afsmelten |
| afsmeltend | onvoltooid deelwoord | afsmelten |
| afsmeltende | woordvorm | afsmelten |
| afsmolt | subordinate-clause, verleden tijd | afsmelten |
| afsmolten | subordinate-clause, verleden tijd | afsmelten |
| smelt af | gebiedende wijs | afsmelten |
| smelte af | woordvorm | afsmelten |
| smelten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afsmelten |
| smolt af | verleden tijd | afsmelten |
| smolten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afsmelten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsmelten zijn vastgelegd.