afsmeken
werkwoordBetekenis
- afbidden; nederig om iets vragen
Vervoeging van afsmeken
afsmekenhele werkwoord — smeekte afverleden tijd enkelvoud — smeekten afverleden tijd meervoud — afgesmeektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smeek af | smeekte af |
| jij | smeekt af | smeekte af |
| hij, zij, het | smeekt af | smeekte af |
| wij | smeken af | smeekten af |
| jullie | smeken af | smeekten af |
| zij | smeken af | smeekten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te smeken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen smeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal smeken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou smeken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden smeken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt smeken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen smeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen smeken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult smeken | bijzin, toekomende tijd |
| afgesmeekt | verleden tijd, deelwoord |
| afgesmeekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesmeekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesmeekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesmeekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesmeekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesmeekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesmeekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesmeekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesmeekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesmeekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsmeek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsmeekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsmeekte | bijzin, verleden tijd |
| afsmeekten | bijzin, verleden tijd |
| afsmekend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgesmeekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgesmeekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgesmeekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgesmeekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgesmeekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgesmeekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgesmeekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgesmeekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesmeekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smeek af | gebiedende wijs |
| smeekte af | verleden tijd |
| te hebben afgesmeekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afsmeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgesmeekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgesmeekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgesmeekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesmeekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afsmeken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgesmeekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afsmeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afsmeken af zou(dt) smeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afsmeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesmeekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesmeekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afsmeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgesmeekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesmeekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesmeekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesmeekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afsmeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afsmeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afsmeken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesmeekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en smeken ww
Woordfamilie van afsmeken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesmeekt | voltooid deelwoord | afsmeken |
| afgesmeekte | woordvorm | afsmeken |
| afsmeek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afsmeken |
| afsmeekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afsmeken |
| afsmeekte | subordinate-clause, verleden tijd | afsmeken |
| afsmeekten | subordinate-clause, verleden tijd | afsmeken |
| afsmeke | with-subordinate-clause | afsmeken |
| afsmekend | onvoltooid deelwoord | afsmeken |
| afsmekende | woordvorm | afsmeken |
| smeek af | gebiedende wijs | afsmeken |
| smeekt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afsmeken |
| smeekte af | verleden tijd | afsmeken |
| smeekten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afsmeken |
| smeke af | woordvorm | afsmeken |
| smeken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afsmeken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsmeken zijn vastgelegd.