afslanken
werkwoord ˈɑfslɑŋkə(n)Betekenis
- gewicht verliezen, meest door beweging en dieet
- eufemistisch een groep in grootte doen verminderen bijvoorbeeld door ontslag
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je afslanken uit?
/ˈɑfslɑŋkən/
Afslanken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| l | land |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afslanken
afslankenhele werkwoord — slankte afverleden tijd enkelvoud — slankten afverleden tijd meervoud — afgeslanktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slank af | slankte af |
| jij | slankt af | slankte af |
| hij, zij, het | slankt af | slankte af |
| wij | slanken af | slankten af |
| jullie | slanken af | slankten af |
| zij | slanken af | slankten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te slanken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen slanken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal slanken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou slanken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden slanken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt slanken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen slanken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen slanken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult slanken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeslankt | verleden tijd, deelwoord |
| afgeslankt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeslankt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeslankt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeslankt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeslankt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeslankt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeslankt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeslankt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeslankt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeslankt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afslank | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afslankend | onvoltooid, deelwoord |
| afslankt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afslankte | bijzin, verleden tijd |
| afslankten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeslankt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeslankt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeslankt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeslankt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeslankt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeslankt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeslankt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeslankt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeslankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeslankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeslankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeslankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeslankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeslankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeslankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeslankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slank af | gebiedende wijs |
| slankte af | verleden tijd |
| te hebben afgeslankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afslanken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeslankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeslankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeslankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeslankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeslankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeslankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeslankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeslankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeslankt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeslankt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afslanken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeslankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afslanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afslanken af zou(dt) slanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afslanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeslankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeslankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afslanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeslankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeslankt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeslankt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeslankt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afslanken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afslanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afslanken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeslankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstellende afleiding van af (bijwoord) en slank (bijvoeglijk naamwoord) met het achtervoegsel -en voor een (werkwoord)
Woordfamilie van afslanken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeslankt | voltooid deelwoord | afslanken |
| afgeslankte | woordvorm | afslanken |
| afslank | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afslanken |
| afslanke | with-subordinate-clause | afslanken |
| afslankend | onvoltooid deelwoord | afslanken |
| afslankende | woordvorm | afslanken |
| afslankt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afslanken |
| afslankte | subordinate-clause, verleden tijd | afslanken |
| afslankten | subordinate-clause, verleden tijd | afslanken |
| slank af | gebiedende wijs | afslanken |
| slanke af | woordvorm | afslanken |
| slanken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afslanken |
| slankt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afslanken |
| slankte af | verleden tijd | afslanken |
| slankten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afslanken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslanken zijn vastgelegd.