afschuinen
werkwoordBetekenis
- het schuin afwerken van de rand van een materiaal
Vervoeging van afschuinen
afschuinenhele werkwoord — schuinde afverleden tijd enkelvoud — schuinden afverleden tijd meervoud — afgeschuindvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuin af | schuinde af |
| jij | schuint af | schuinde af |
| hij, zij, het | schuint af | schuinde af |
| wij | schuinen af | schuinden af |
| jullie | schuinen af | schuinden af |
| zij | schuinen af | schuinden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te schuinen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schuinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schuinen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schuinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schuinen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schuinen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschuind | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschuind te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschuind te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschuind te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschuind te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschuind te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschuind worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschuind zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschuind zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschuind zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschuind zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschuin | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschuinde | bijzin, verleden tijd |
| afschuinden | bijzin, verleden tijd |
| afschuinend | onvoltooid, deelwoord |
| afschuint | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschuind | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschuind | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschuind | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschuind | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschuind worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschuind zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschuind worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschuind zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschuind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschuind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschuind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschuind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschuind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschuind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschuind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschuind | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schuin af | gebiedende wijs |
| schuinde af | verleden tijd |
| te hebben afgeschuind | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschuinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschuind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschuind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschuind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschuind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschuind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschuind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschuind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschuind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschuind zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschuind zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschuinen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschuind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschuinen af zou(dt) schuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschuind hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschuind zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschuinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschuind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschuind zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschuind zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschuind zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschuinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschuinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschuinen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschuind hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en schuinen ww
Woordfamilie van afschuinen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschuind | voltooid deelwoord | afschuinen |
| afgeschuinde | woordvorm | afschuinen |
| afschuin | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschuinen |
| afschuinde | subordinate-clause, verleden tijd | afschuinen |
| afschuinden | subordinate-clause, verleden tijd | afschuinen |
| afschuine | with-subordinate-clause | afschuinen |
| afschuinend | onvoltooid deelwoord | afschuinen |
| afschuinende | woordvorm | afschuinen |
| afschuint | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschuinen |
| schuin af | gebiedende wijs | afschuinen |
| schuinde af | verleden tijd | afschuinen |
| schuinden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afschuinen |
| schuine af | woordvorm | afschuinen |
| schuinen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschuinen |
| schuint af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschuinen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschuinen zijn vastgelegd.