afschudden
werkwoordBetekenis
- doormiddel van krachige beweging iets verwijderen
- iets wat niet stoffelijk is verwijderen
werkwoord
- door middel van krachige beweging iets verwijderen
- aan de achtervolgers ontsnappen
Vervoeging van afschudden
afschuddenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afschudden
Vervoeging van afschudden
afschuddenhele werkwoord — schudde afverleden tijd enkelvoud — schudden afverleden tijd meervoud — afgeschudvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schud af | schudde af |
| jij | schudt af | schudde af |
| hij, zij, het | schudt af | schudde af |
| wij | schudden af | schudden af |
| jullie | schudden af | schudden af |
| zij | schudden af | schudden af |
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te schudden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schudden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schudden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schudden | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschud | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschud te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschud te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschud te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschud te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschud te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschud worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschud zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschud zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschud zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschud zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschudde | bijzin, verleden tijd |
| afschuddend | onvoltooid, deelwoord |
| afschudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschud | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschud | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschud | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschud | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschud worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschud zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschud worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschud zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schud af | gebiedende wijs |
| schud u/je af, schudt je af | gebiedende wijs |
| schudde af | verleden tijd |
| te hebben afgeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zal me afschudden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich afschudden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je afschudden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich afgeschud hebben | verleden tijd |
| zich afschuddend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschudden af zou(dt) schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
Herkomst
samenstelling van af en schudden
Woordfamilie van afschudden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschud | voltooid deelwoord | afschudden |
| afgeschudde | woordvorm | afschudden |
| afschud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschudden |
| afschudde | subordinate-clause, verleden tijd | afschudden |
| afschuddend | onvoltooid deelwoord | afschudden |
| afschuddende | woordvorm | afschudden |
| afschudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschudden |
| schud af | gebiedende wijs | afschudden |
| schudde af | verleden tijd | afschudden |
| schudden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschudden |
| schudt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschudden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschudden zijn vastgelegd.