afschrikken
werkwoord ˈɑfsxrɪkə(n)Betekenis
- doen weggaan door angst aan te jagen, door angst aan te jagen bepaald gedrag voorkomen
- het bijzonder snel afkoelen van een heet voorwerp door het in een koelvloeistof te dompelen
Hoe spreek je afschrikken uit?
/ˈɑfsxrɪkən/
Afschrikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afschrikken
afschrikkenhele werkwoord — schrikte afverleden tijd enkelvoud — schrikten afverleden tijd meervoud — afgeschriktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrik af | schrikte af |
| jij | schrikt af | schrikte af |
| hij, zij, het | schrikt af | schrikte af |
| wij | schrikken af | schrikten af |
| jullie | schrikken af | schrikten af |
| zij | schrikken af | schrikten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te schrikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schrikken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schrikken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schrikken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschrikt | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschrikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschrikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschrikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschrikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschrikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschrikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschrikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschrikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschrikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschrikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschrik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschrikkend | onvoltooid, deelwoord |
| afschrikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschrikte | bijzin, verleden tijd |
| afschrikten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschrikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschrikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschrikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschrikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschrikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschrikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschrikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschrikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschrikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schrik af | gebiedende wijs |
| schrikte af | verleden tijd |
| te hebben afgeschrikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschrikken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschrikken af zou(dt) schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschrikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en schrikken ww
Woordfamilie van afschrikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschrikt | voltooid deelwoord | afschrikken |
| afgeschrikte | woordvorm | afschrikken |
| afschrik | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschrikken |
| afschrikke | with-subordinate-clause | afschrikken |
| afschrikkend | onvoltooid deelwoord | afschrikken |
| afschrikkende | woordvorm | afschrikken |
| afschrikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschrikken |
| afschrikte | subordinate-clause, verleden tijd | afschrikken |
| afschrikten | subordinate-clause, verleden tijd | afschrikken |
| schrik af | gebiedende wijs | afschrikken |
| schrikke af | woordvorm | afschrikken |
| schrikken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschrikken |
| schrikt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschrikken |
| schrikte af | verleden tijd | afschrikken |
| schrikten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afschrikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschrikken zijn vastgelegd.