afschakelen
werkwoordBetekenis
- loskoppelen van het elektriciteitsnet, andere stroombron, het internet e.d.
- overdrachtelijk buitenspel zetten
Vervoeging van afschakelen
afschakelenhele werkwoord — schakelde afverleden tijd enkelvoud — schakelden afverleden tijd meervoud — afgeschakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schakel af | schakelde af |
| jij | schakelt af | schakelde af |
| hij, zij, het | schakelt af | schakelde af |
| wij | schakelen af | schakelden af |
| jullie | schakelen af | schakelden af |
| zij | schakelen af | schakelden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschakeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschakel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschakelde | bijzin, verleden tijd |
| afschakelden | bijzin, verleden tijd |
| afschakelend | onvoltooid, deelwoord |
| afschakelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schakel af | gebiedende wijs |
| schakelde af | verleden tijd |
| te hebben afgeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschakelen af zou(dt) schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afschakelen af zult/zal schakelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en schakelen
Woordfamilie van afschakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschakeld | voltooid deelwoord | afschakelen |
| afgeschakelde | woordvorm | afschakelen |
| afschakel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschakelen |
| afschakelde | subordinate-clause, verleden tijd | afschakelen |
| afschakelden | subordinate-clause, verleden tijd | afschakelen |
| afschakele | with-subordinate-clause | afschakelen |
| afschakelend | onvoltooid deelwoord | afschakelen |
| afschakelende | woordvorm | afschakelen |
| afschakelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschakelen |
| schakel af | gebiedende wijs | afschakelen |
| schakelde af | verleden tijd | afschakelen |
| schakelden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afschakelen |
| schakele af | woordvorm | afschakelen |
| schakelen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschakelen |
| schakelt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschakelen zijn vastgelegd.