Naar de inhoud

afruimen

de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen

afruimen

werkwoord

Betekenis

  1. de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen

Vervoeging van afruimen

afruimenhele werkwoord — ruimde afverleden tijd enkelvoud — ruimden afverleden tijd meervoud — afgeruimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruim af ruimde af
jij ruimt af ruimde af
hij, zij, het ruimt af ruimde af
wij ruimen af ruimden af
jullie ruimen af ruimden af
zij ruimen af ruimden af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te ruimen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal ruimen bijzin, toekomende tijd
af zou ruimen bijzin, voorwaardelijk
af zouden ruimen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt ruimen bijzin, voorwaardelijk
af zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen ruimen bijzin, toekomende tijd
af zult ruimen bijzin, toekomende tijd
afgeruimd verleden tijd, deelwoord
afgeruimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeruimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afruim bijzin, tegenwoordige tijd
afruimde bijzin, verleden tijd
afruimden bijzin, verleden tijd
afruimend onvoltooid, deelwoord
afruimt bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgeruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeruimd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeruimd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeruimd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeruimd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeruimd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeruimd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruim af gebiedende wijs
ruimde af verleden tijd
te hebben afgeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afruimen bijzin, toekomende tijd
zou afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afruimen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afruimen af zou(dt) ruimen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afruimen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afruimen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afruimen bijzin, toekomende tijd
zult afgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afruimen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afruimen af zult/zal ruimen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en ruimen ww

Woordfamilie van afruimen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeruimd voltooid deelwoord afruimen
afgeruimde woordvorm afruimen
afruim subordinate-clause, tegenwoordige tijd afruimen
afruimde subordinate-clause, verleden tijd afruimen
afruimden subordinate-clause, verleden tijd afruimen
afruime with-subordinate-clause afruimen
afruimend onvoltooid deelwoord afruimen
afruimende woordvorm afruimen
afruimt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afruimen
ruim af gebiedende wijs afruimen
ruimde af verleden tijd afruimen
ruimden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afruimen
ruime af woordvorm afruimen
ruimen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afruimen
ruimt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afruimen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afruimen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afruimen

Wat is de betekenis van afruimen?
Afruimen is een werkwoord. De betekenis is: de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen.
Hoe vervoeg ik afruimen?
Zo vervoeg je afruimen zo: het voltooid deelwoord is afgeruimd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afruimen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. U 4
  5. I 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afruimen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. U 2
  5. I 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afruimen in het kort

afruimen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afruimen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afruimen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afruimen: de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen
Deel afruimen — standaardnederlands.nl