Naar de inhoud

afromen

het beste ergens vanaf halen

afromen

werkwoord

Betekenis

  1. het beste ergens vanaf halen
  2. bankbiljetten uit de kassa verwijderen en opbergen (in een kluis)

Vervoeging van afromen

afromenhele werkwoord — roomde afverleden tijd enkelvoud — roomden afverleden tijd meervoud — afgeroomdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik room af roomde af
jij roomt af roomde af
hij, zij, het roomt af roomde af
wij romen af roomden af
jullie romen af roomden af
zij romen af roomden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te romen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen romen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal romen bijzin, toekomende tijd
af zou romen bijzin, voorwaardelijk
af zouden romen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt romen bijzin, voorwaardelijk
af zullen romen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen romen bijzin, toekomende tijd
af zult romen bijzin, toekomende tijd
afgeroomd verleden tijd, deelwoord
afgeroomd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeroomd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeroomd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeroomd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeroomd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeroomd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeroomd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeroomd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeroomd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeroomd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afromend onvoltooid, deelwoord
afroom bijzin, tegenwoordige tijd
afroomde bijzin, verleden tijd
afroomden bijzin, verleden tijd
afroomt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeroomd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeroomd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeroomd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeroomd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeroomd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeroomd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeroomd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeroomd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeroomd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
room af gebiedende wijs
roomde af verleden tijd
te hebben afgeroomd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeroomd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeroomd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeroomd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afromen bijzin, toekomende tijd
zijn afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afromen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afromen af zou(dt) romen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afromen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afromen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeroomd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeroomd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeroomd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeroomd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afromen bijzin, toekomende tijd
zult afgeroomd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en romen ww

Woordfamilie van afromen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeroomd voltooid deelwoord afromen
afgeroomde woordvorm afromen
afrome with-subordinate-clause afromen
afromend onvoltooid deelwoord afromen
afromende woordvorm afromen
afroom subordinate-clause, tegenwoordige tijd afromen
afroomde subordinate-clause, verleden tijd afromen
afroomden subordinate-clause, verleden tijd afromen
afroomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afromen
rome af woordvorm afromen
romen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afromen
room af gebiedende wijs afromen
roomde af verleden tijd afromen
roomden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afromen
roomt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afromen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afromen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afromen

Wat betekent afromen?
Afromen is een werkwoord. Het woord betekent: het beste ergens vanaf halen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afromen?
Je vervoegt afromen als volgt: het voltooid deelwoord is afgeroomd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afromen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. O 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afromen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. O 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afromen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afromen in het kort

afromen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afromen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afromen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afromen: het beste ergens vanaf halen
Deel afromen — standaardnederlands.nl