afrijzen
werkwoordBetekenis
- (van personen) opstaan en zich verwijderen
werkwoord
- opstaan en zich verwijderen
Vervoeging van afrijzen
afrijzenhele werkwoord — rees afverleden tijd enkelvoud — rezen afverleden tijd meervoud — afgerezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rijs af | rees af |
| jij | rijst af | rees af |
| hij, zij, het | rijst af | rees af |
| wij | rijzen af | rezen af |
| jullie | rijzen af | rezen af |
| zij | rijzen af | rezen af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te rijzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen rijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal rijzen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou rijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden rijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt rijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen rijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen rijzen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult rijzen | bijzin, toekomende tijd |
| afgerezen | verleden tijd, deelwoord |
| afgerezen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgerezen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afrees | bijzin, verleden tijd |
| afrezen | bijzin, verleden tijd |
| afrijs | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afrijst | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afrijzend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rees af | verleden tijd |
| rijs af | gebiedende wijs |
| te zijn afgerezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afrijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgerezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgerezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgerezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgerezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgerezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgerezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgerezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afrijzen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgerezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afrijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afrijzen af zou(dt) rijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afrijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afrijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afrijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afrijzen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afrijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afrijzen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afrijzen af zult/zal rijzen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en rijzen ww
Woordfamilie van afrijzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgerezen | voltooid deelwoord | afrijzen |
| afrees | subordinate-clause, verleden tijd | afrijzen |
| afrezen | subordinate-clause, verleden tijd | afrijzen |
| afrijs | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afrijzen |
| afrijst | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afrijzen |
| afrijze | with-subordinate-clause | afrijzen |
| afrijzend | onvoltooid deelwoord | afrijzen |
| afrijzende | woordvorm | afrijzen |
| rees af | verleden tijd | afrijzen |
| rezen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afrijzen |
| rijs af | gebiedende wijs | afrijzen |
| rijst af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afrijzen |
| rijze af | woordvorm | afrijzen |
| rijzen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afrijzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afrijzen zijn vastgelegd.