Naar de inhoud

afrijzen

(van personen) opstaan en zich verwijderen

afrijzen

werkwoord

Betekenis

  1. (van personen) opstaan en zich verwijderen

werkwoord

  1. opstaan en zich verwijderen

Vervoeging van afrijzen

afrijzenhele werkwoord — rees afverleden tijd enkelvoud — rezen afverleden tijd meervoud — afgerezenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rijs af rees af
jij rijst af rees af
hij, zij, het rijst af rees af
wij rijzen af rezen af
jullie rijzen af rezen af
zij rijzen af rezen af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te rijzen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen rijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal rijzen bijzin, toekomende tijd
af zou rijzen bijzin, voorwaardelijk
af zouden rijzen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt rijzen bijzin, voorwaardelijk
af zullen rijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen rijzen bijzin, toekomende tijd
af zult rijzen bijzin, toekomende tijd
afgerezen verleden tijd, deelwoord
afgerezen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgerezen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afrees bijzin, verleden tijd
afrezen bijzin, verleden tijd
afrijs bijzin, tegenwoordige tijd
afrijst bijzin, tegenwoordige tijd
afrijzend onvoltooid, deelwoord
ben afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rees af verleden tijd
rijs af gebiedende wijs
te zijn afgerezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afrijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgerezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgerezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgerezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgerezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgerezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgerezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgerezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afrijzen bijzin, toekomende tijd
zijn afgerezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afrijzen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afrijzen af zou(dt) rijzen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afrijzen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afrijzen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afrijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afrijzen bijzin, toekomende tijd
zult afgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afrijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afrijzen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afrijzen af zult/zal rijzen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en rijzen ww

Woordfamilie van afrijzen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgerezen voltooid deelwoord afrijzen
afrees subordinate-clause, verleden tijd afrijzen
afrezen subordinate-clause, verleden tijd afrijzen
afrijs subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrijzen
afrijst subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrijzen
afrijze with-subordinate-clause afrijzen
afrijzend onvoltooid deelwoord afrijzen
afrijzende woordvorm afrijzen
rees af verleden tijd afrijzen
rezen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afrijzen
rijs af gebiedende wijs afrijzen
rijst af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afrijzen
rijze af woordvorm afrijzen
rijzen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afrijzen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afrijzen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afrijzen

Wat is de betekenis van afrijzen?
Afrijzen is een werkwoord. De betekenis is: (van personen) opstaan en zich verwijderen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afrijzen?
Zo vervoeg je afrijzen zo: het voltooid deelwoord is afgerezen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afrijzen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 1
  5. J 4
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afrijzen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 2
  5. J 4
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afrijzen in het kort

afrijzen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afrijzen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afrijzen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afrijzen: (van personen) opstaan en zich verwijderen
Deel afrijzen — standaardnederlands.nl