afraken
werkwoordBetekenis
- niet meer belast worden door iets vervelends
- iets verlaten
Vervoeging van afraken
afrakenhele werkwoord — raakte afverleden tijd enkelvoud — raakten afverleden tijd meervoud — afgeraaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | raak af | raakte af |
| jij | raakt af | raakte af |
| hij, zij, het | raakt af | raakte af |
| wij | raken af | raakten af |
| jullie | raken af | raakten af |
| zij | raken af | raakten af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te raken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen raken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal raken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou raken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden raken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt raken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen raken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen raken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult raken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeraakt | verleden tijd, deelwoord |
| afgeraakt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeraakt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afraak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afraakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afraakte | bijzin, verleden tijd |
| afraakten | bijzin, verleden tijd |
| afrakend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| raak af | gebiedende wijs |
| raakte af | verleden tijd |
| te zijn afgeraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afraken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afraken af zou(dt) raken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afraken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afraken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afraken af zult/zal raken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en raken ww
Woordfamilie van afraken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeraakt | voltooid deelwoord | afraken |
| afgeraakte | woordvorm | afraken |
| afraak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afraken |
| afraakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afraken |
| afraakte | subordinate-clause, verleden tijd | afraken |
| afraakten | subordinate-clause, verleden tijd | afraken |
| afrake | with-subordinate-clause | afraken |
| afrakend | onvoltooid deelwoord | afraken |
| afrakende | woordvorm | afraken |
| raak af | gebiedende wijs | afraken |
| raakt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afraken |
| raakte af | verleden tijd | afraken |
| raakten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afraken |
| rake af | woordvorm | afraken |
| raken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afraken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afraken zijn vastgelegd.