afraden
werkwoordBetekenis
- iemand trachten te overtuigen een voornemen niet uit te voeren
Vervoeging van afraden
afradenhele werkwoord — raadde afverleden tijd enkelvoud — raadden afverleden tijd meervoud — afgeradenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | raad af | raadde af |
| jij | raadt af | raadde af |
| hij, zij, het | raadt af | raadde af |
| wij | raden af | raadden af |
| jullie | raden af | raadden af |
| zij | raden af | raadden af |
Alle 149 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te raden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen raden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal raden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou raden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden raden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt raden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen raden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen raden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult raden | bijzin, toekomende tijd |
| afgeraden | verleden tijd, deelwoord |
| afgeraden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeraden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeraden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeraden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeraden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeraden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeraden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeraden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeraden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeraden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afraad | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afraadde | bijzin, verleden tijd |
| afraadden | bijzin, verleden tijd |
| afraadt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afradend | onvoltooid, deelwoord |
| afried | bijzin, verleden tijd |
| afrieden | bijzin, verleden tijd |
| afriedt | bijzin, verleden tijd |
| ben afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeraden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeraden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeraden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeraden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeraden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeraden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeraden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeraden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeraden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| raad af | gebiedende wijs |
| raadde af | verleden tijd |
| ried af | verleden tijd |
| te hebben afgeraden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afraden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeraden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeraden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeraden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeraden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeraden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afraden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afraden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afraden af zou(dt) raden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afraden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afraden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeraden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeraden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeraden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeraden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeraden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeraden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afraden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en raden ww
Woordfamilie van afraden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeraden | voltooid deelwoord | afraden |
| afraad | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afraden |
| afraadde | subordinate-clause, verleden tijd | afraden |
| afraadden | subordinate-clause, verleden tijd | afraden |
| afraadt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afraden |
| afrade | with-subordinate-clause | afraden |
| afradend | onvoltooid deelwoord | afraden |
| afradende | woordvorm | afraden |
| afried | subordinate-clause, verleden tijd | afraden |
| afrieden | subordinate-clause, verleden tijd | afraden |
| raad af | gebiedende wijs | afraden |
| raadde af | verleden tijd | afraden |
| raadden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afraden |
| raadt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afraden |
| rade af | woordvorm | afraden |
| raden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afraden |
| ried af | verleden tijd | afraden |
| rieden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afraden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afraden zijn vastgelegd.