Naar de inhoud

afplatten

een ronde vorm gedeeltelijk vlak maken

afplatten

werkwoord

Betekenis

  1. een ronde vorm gedeeltelijk vlak maken

Vervoeging van afplatten

afplattenhele werkwoord — platte afverleden tijd enkelvoud — platten afverleden tijd meervoud — afgeplatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plat af platte af
jij plat af platte af
hij, zij, het plat af platte af
wij platten af platten af
jullie platten af platten af
zij platten af platten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te platten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen platten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal platten bijzin, toekomende tijd
af zou platten bijzin, voorwaardelijk
af zouden platten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt platten bijzin, voorwaardelijk
af zullen platten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen platten bijzin, toekomende tijd
af zult platten bijzin, toekomende tijd
afgeplat verleden tijd, deelwoord
afgeplat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeplat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeplat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeplat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeplat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeplat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeplat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeplat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeplat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeplat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afplat bijzin, tegenwoordige tijd
afplatte bijzin, verleden tijd
afplattend onvoltooid, deelwoord
ben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeplat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeplat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeplat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeplat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeplat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeplat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeplat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeplat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeplat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plat af gebiedende wijs
platte af verleden tijd
te hebben afgeplat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afplatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afplatten bijzin, toekomende tijd
zijn afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afplatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afplatten af zou(dt) platten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afplatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afplatten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afplatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afplatten bijzin, toekomende tijd
zult afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afplatten

Vervoeging van afplatten

afplattenhele werkwoord — platte afverleden tijd enkelvoud — platten afverleden tijd meervoud — afgeplatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plat af platte af
jij plat af platte af
hij, zij, het plat af platte af
wij platten af platten af
jullie platten af platten af
zij platten af platten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te platten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen platten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal platten bijzin, toekomende tijd
af zou platten bijzin, voorwaardelijk
af zouden platten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt platten bijzin, voorwaardelijk
af zullen platten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen platten bijzin, toekomende tijd
af zult platten bijzin, toekomende tijd
afgeplat verleden tijd, deelwoord
afgeplat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeplat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeplat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeplat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeplat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeplat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeplat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeplat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeplat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeplat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afplat bijzin, tegenwoordige tijd
afplatte bijzin, verleden tijd
afplattend onvoltooid, deelwoord
ben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeplat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeplat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeplat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeplat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeplat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeplat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeplat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeplat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeplat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plat af gebiedende wijs
platte af verleden tijd
te hebben afgeplat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afplatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeplat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeplat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeplat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeplat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeplat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afplatten bijzin, toekomende tijd
zijn afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeplat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afplatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afplatten af zou(dt) platten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afplatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeplat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeplat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afplatten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afplatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afplatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afplatten bijzin, toekomende tijd
zult afgeplat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeplat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeplat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en platten ww

Woordfamilie van afplatten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeplat voltooid deelwoord afplatten
afplat subordinate-clause, tegenwoordige tijd afplatten
afplatte subordinate-clause, verleden tijd afplatten
afplattend onvoltooid deelwoord afplatten
afplattende woordvorm afplatten
plat af gebiedende wijs afplatten
platte af verleden tijd afplatten
platten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afplatten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afplatten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afplatten

Wat is de betekenis van afplatten?
Afplatten is een werkwoord. De betekenis is: een ronde vorm gedeeltelijk vlak maken.
Hoe vervoeg ik afplatten?
Zo vervoeg je afplatten zo: het voltooid deelwoord is afgeplat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afplatten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afplatten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 4
  4. L 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afplatten in het kort

afplatten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afplatten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afplatten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afplatten: een ronde vorm gedeeltelijk vlak maken
Deel afplatten — standaardnederlands.nl