Naar de inhoud

afnemen

iemand iets ~: iemand iets doen verliezen

afnemen

werkwoord ˈɑfnemə(n)

Betekenis

  1. iemand iets ~: iemand iets doen verliezen
  2. een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent
  3. van een bepaalde plaats verwijderen, afdoen, wegnemen
  4. plechtig laten afleggen, doen ondergaan (examen, verhoor, eed)
  5. minder groot of talrijk worden, verminderen
  6. afvallen (in lichaamsgewicht afnemen)

Hoe spreek je afnemen uit?

/ˈɑfnemən/

Afnemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfnemən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
n nek
e veel
m maan
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. minder groot of talrijk worden, verminderen [1] ergative

Vervoeging van afnemen

afnemenhele werkwoord — nam afverleden tijd enkelvoud — namen afverleden tijd meervoud — afgenomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik neem af nam af
jij neemt af naamt af
hij, zij, het neemt af nam af
wij nemen af namen af
jullie nemen af namen af
zij nemen af namen af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te nemen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen nemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal nemen bijzin, toekomende tijd
af zou nemen bijzin, voorwaardelijk
af zouden nemen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt nemen bijzin, voorwaardelijk
af zullen nemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen nemen bijzin, toekomende tijd
af zult nemen bijzin, toekomende tijd
afgenomen verleden tijd, deelwoord
afgenomen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgenomen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgenomen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgenomen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgenomen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgenomen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgenomen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgenomen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgenomen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgenomen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afnaamt bijzin, verleden tijd
afnam bijzin, verleden tijd
afnamen bijzin, verleden tijd
afneem bijzin, tegenwoordige tijd
afneemt bijzin, tegenwoordige tijd
afnemend onvoltooid, deelwoord
ben afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgenomen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgenomen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgenomen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgenomen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgenomen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgenomen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgenomen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgenomen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgenomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
nam af verleden tijd
neem af gebiedende wijs
te hebben afgenomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afnemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgenomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgenomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afnemen bijzin, toekomende tijd
zijn afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afnemen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afnemen af zou(dt) nemen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afnemen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afnemen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgenomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgenomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgenomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afnemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afnemen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en nemen ww

Woordfamilie van afnemen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgenomen voltooid deelwoord afnemen
afnam subordinate-clause, verleden tijd afnemen
afneem subordinate-clause, tegenwoordige tijd afnemen
afneemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afnemen
afneme with-subordinate-clause afnemen
naamt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon afnemen
nam af verleden tijd afnemen
namen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afnemen
neem af gebiedende wijs afnemen
neemt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afnemen
neme af woordvorm afnemen
nemen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afnemen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afnemen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afnemen

Hoe spreek ik afnemen uit?
Zo spreek je afnemen uit: /ˈɑfnemə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afnemen?
Afnemen is een werkwoord. De betekenis is: iemand iets ~: iemand iets doen verliezen. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afnemen?
Zo vervoeg je afnemen zo: het voltooid deelwoord is afgenomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afnemen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. N 1
  4. E 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afnemen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 100 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. N 1
  4. E 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 zonder bonus
  9. 100 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afnemen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afnemen in het kort

afnemen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afnemen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afnemen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afnemen: iemand iets ~: iemand iets doen verliezen
Deel afnemen — standaardnederlands.nl