afnemen
werkwoord ˈɑfnemə(n)Betekenis
- iemand iets ~: iemand iets doen verliezen
- een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent
- van een bepaalde plaats verwijderen, afdoen, wegnemen
- plechtig laten afleggen, doen ondergaan (examen, verhoor, eed)
- minder groot of talrijk worden, verminderen
- afvallen (in lichaamsgewicht afnemen)
Hoe spreek je afnemen uit?
/ˈɑfnemən/
Afnemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| n | nek |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- minder groot of talrijk worden, verminderen [1] ergative
Vervoeging van afnemen
afnemenhele werkwoord — nam afverleden tijd enkelvoud — namen afverleden tijd meervoud — afgenomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | neem af | nam af |
| jij | neemt af | naamt af |
| hij, zij, het | neemt af | nam af |
| wij | nemen af | namen af |
| jullie | nemen af | namen af |
| zij | nemen af | namen af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te nemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen nemen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult nemen | bijzin, toekomende tijd |
| afgenomen | verleden tijd, deelwoord |
| afgenomen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgenomen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgenomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgenomen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgenomen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgenomen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgenomen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgenomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgenomen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgenomen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afnaamt | bijzin, verleden tijd |
| afnam | bijzin, verleden tijd |
| afnamen | bijzin, verleden tijd |
| afneem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afneemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afnemend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgenomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgenomen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgenomen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgenomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgenomen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgenomen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgenomen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgenomen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nam af | verleden tijd |
| neem af | gebiedende wijs |
| te hebben afgenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afnemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afnemen af zou(dt) nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afnemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afnemen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en nemen ww
Woordfamilie van afnemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgenomen | voltooid deelwoord | afnemen |
| afnam | subordinate-clause, verleden tijd | afnemen |
| afneem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afnemen |
| afneemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afnemen |
| afneme | with-subordinate-clause | afnemen |
| naamt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | afnemen |
| nam af | verleden tijd | afnemen |
| namen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afnemen |
| neem af | gebiedende wijs | afnemen |
| neemt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afnemen |
| neme af | woordvorm | afnemen |
| nemen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afnemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afnemen zijn vastgelegd.