aflossen
werkwoord ˈɑflɔsə(n)Betekenis
- de plaats innemen van, in zijn taak vervangen
- geheel of gedeeltelijk terugbetalen van een schuld
Hoe spreek je aflossen uit?
/ˈɑflɔsən/
Aflossen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aflossen
aflossenhele werkwoord — loste afverleden tijd enkelvoud — losten afverleden tijd meervoud — afgelostvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | los af | loste af |
| jij | lost af | loste af |
| hij, zij, het | lost af | loste af |
| wij | lossen af | losten af |
| jullie | lossen af | losten af |
| zij | lossen af | losten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te lossen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen lossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal lossen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen lossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen lossen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult lossen | bijzin, toekomende tijd |
| afgelost | verleden tijd, deelwoord |
| afgelost te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelost te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelost te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelost te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelost te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelost worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelost zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelost zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelost zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelost zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aflos | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aflossend | onvoltooid, deelwoord |
| aflost | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afloste | bijzin, verleden tijd |
| aflosten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgelost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgelost | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgelost | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgelost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgelost worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgelost zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgelost worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgelost zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los af | gebiedende wijs |
| loste af | verleden tijd |
| te hebben afgelost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aflossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgelost zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aflossen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aflossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aflossen af zou(dt) lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aflossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aflossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelost zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelost zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aflossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aflossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aflossen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en lossen ww
Woordfamilie van aflossen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgelost | voltooid deelwoord | aflossen |
| afgeloste | woordvorm | aflossen |
| aflos | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aflossen |
| aflosse | with-subordinate-clause | aflossen |
| aflossend | onvoltooid deelwoord | aflossen |
| aflossende | woordvorm | aflossen |
| aflost | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aflossen |
| afloste | subordinate-clause, verleden tijd | aflossen |
| aflosten | subordinate-clause, verleden tijd | aflossen |
| los af | gebiedende wijs | aflossen |
| losse af | woordvorm | aflossen |
| lossen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aflossen |
| lost af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aflossen |
| loste af | verleden tijd | aflossen |
| losten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aflossen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aflossen zijn vastgelegd.