aflopen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑflopə(n)Betekenis
- eindigen, verstrijken
- hellen
- het klinken van een alarmsignaal
- door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
- een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen
Hoe spreek je aflopen uit?
/ˈɑflopən/
Aflopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- hellen [1] absolute
- iets of iemand lopend naderen
Vervoeging van aflopen
aflopenhele werkwoord — liep afverleden tijd enkelvoud — liepen afverleden tijd meervoud — afgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop af | liep af |
| jij | loopt af | liep af |
| hij, zij, het | loopt af | liep af |
| wij | lopen af | liepen af |
| jullie | lopen af | liepen af |
| zij | lopen af | liepen af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| afgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| afgelopen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelopen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelopen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelopen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelopen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelopen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelopen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelopen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afliep | bijzin, verleden tijd |
| afliepen | bijzin, verleden tijd |
| afloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aflopend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep af | verleden tijd |
| loop af | gebiedende wijs |
| te hebben afgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aflopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aflopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aflopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aflopen af zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aflopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aflopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aflopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aflopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aflopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afloop
Herkomst
samenstelling van af bw en lopen ww
Woordfamilie van aflopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afliep | subordinate-clause, verleden tijd | aflopen |
| afliepen | subordinate-clause, verleden tijd | aflopen |
| afloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aflopen |
| aflope | with-subordinate-clause | aflopen |
| liep af | verleden tijd | aflopen |
| liepen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aflopen |
| loop af | gebiedende wijs | aflopen |
| loopt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aflopen |
| lope af | woordvorm | aflopen |
| lopen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aflopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aflopen zijn vastgelegd.