aflogen
werkwoordBetekenis
- met een basische stof afwassen
- met een scherpe vloeistof verwijderen
Vervoeging van aflogen
aflogenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afliegen
Vervoeging van aflogen
aflogenhele werkwoord — loogde afverleden tijd enkelvoud — loogden afverleden tijd meervoud — afgeloogdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loog af | loogde af |
| jij | loogt af | loogde af |
| hij, zij, het | loogt af | loogde af |
| wij | logen af | loogden af |
| jullie | logen af | loogden af |
| zij | logen af | loogden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te logen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen logen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal logen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou logen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden logen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt logen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen logen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen logen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult logen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeloogd | verleden tijd, deelwoord |
| afgeloogd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeloogd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aflogend | onvoltooid, deelwoord |
| afloog | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afloogde | bijzin, verleden tijd |
| afloogden | bijzin, verleden tijd |
| afloogt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeloogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeloogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeloogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeloogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeloogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeloogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeloogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeloogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeloogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| loog af | gebiedende wijs |
| loogde af | verleden tijd |
| te hebben afgeloogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aflogen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aflogen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aflogen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aflogen af zou(dt) logen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aflogen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeloogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aflogen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aflogen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aflogen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeloogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aflogen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aflogen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aflogen af zult/zal logen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en logen ww
Woordfamilie van aflogen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeloogd | voltooid deelwoord | aflogen |
| afloge | with-subordinate-clause | aflogen |
| aflogend | onvoltooid deelwoord | aflogen |
| aflogende | woordvorm | aflogen |
| afloogde | subordinate-clause, verleden tijd | aflogen |
| afloogden | subordinate-clause, verleden tijd | aflogen |
| afloogt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aflogen |
| loge af | woordvorm | aflogen |
| loogde af | verleden tijd | aflogen |
| loogden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aflogen |
| loogt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aflogen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aflogen zijn vastgelegd.