Naar de inhoud

afkondigen

openbaar maken, bijvoorbeeld van een beslissing

afkondigen

werkwoord

Betekenis

  1. openbaar maken, bijvoorbeeld van een beslissing

Vervoeging van afkondigen

afkondigenhele werkwoord — kondigde afverleden tijd enkelvoud — kondigden afverleden tijd meervoud — afgekondigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kondig af kondigde af
jij kondigt af kondigde af
hij, zij, het kondigt af kondigde af
wij kondigen af kondigden af
jullie kondigen af kondigden af
zij kondigen af kondigden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te kondigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen kondigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal kondigen bijzin, toekomende tijd
af zou kondigen bijzin, voorwaardelijk
af zouden kondigen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt kondigen bijzin, voorwaardelijk
af zullen kondigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen kondigen bijzin, toekomende tijd
af zult kondigen bijzin, toekomende tijd
afgekondigd verleden tijd, deelwoord
afgekondigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgekondigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgekondigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekondigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekondigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekondigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgekondigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgekondigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgekondigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgekondigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afkondig bijzin, tegenwoordige tijd
afkondigde bijzin, verleden tijd
afkondigden bijzin, verleden tijd
afkondigend onvoltooid, deelwoord
afkondigt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgekondigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgekondigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgekondigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgekondigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgekondigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgekondigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgekondigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgekondigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgekondigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgekondigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgekondigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgekondigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgekondigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgekondigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgekondigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgekondigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kondig af gebiedende wijs
kondigde af verleden tijd
te hebben afgekondigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afkondigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgekondigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgekondigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgekondigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgekondigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgekondigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgekondigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgekondigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgekondigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgekondigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekondigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afkondigen bijzin, toekomende tijd
zijn afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgekondigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afkondigen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afkondigen af zou(dt) kondigen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afkondigen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgekondigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgekondigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afkondigen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgekondigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgekondigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgekondigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgekondigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afkondigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afkondigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afkondigen bijzin, toekomende tijd
zult afgekondigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘in het openbaar bekendmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Woordfamilie van afkondigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgekondigd voltooid deelwoord afkondigen
afkondig subordinate-clause, tegenwoordige tijd afkondigen
afkondigde subordinate-clause, verleden tijd afkondigen
afkondigden subordinate-clause, verleden tijd afkondigen
afkondige with-subordinate-clause afkondigen
afkondigend onvoltooid deelwoord afkondigen
afkondigende woordvorm afkondigen
afkondigt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afkondigen
kondig af gebiedende wijs afkondigen
kondigde af verleden tijd afkondigen
kondigden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afkondigen
kondige af woordvorm afkondigen
kondigen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afkondigen
kondigt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afkondigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkondigen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afkondigen

Wat is de betekenis van afkondigen?
Afkondigen is een werkwoord. De betekenis is: openbaar maken, bijvoorbeeld van een beslissing.
Hoe vervoeg ik afkondigen?
Zo vervoeg je afkondigen zo: het voltooid deelwoord is afgekondigd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afkondigen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. O 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. I 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afkondigen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. O 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. I 2
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afkondigen in het kort

afkondigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afkondigen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afkondigen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afkondigen: openbaar maken, bijvoorbeeld van een beslissing
Deel afkondigen — standaardnederlands.nl