afkomen
werkwoordBetekenis
- op iemand ~: iemand -soms dreigend- benaderen
- ~ van: van een probleem bevrijd worden, kwijtraken
- ~ van: zijn oorsprong vinden, afstammen
- toegewezen of betaald worden
- naar beneden komen, weg komen, langs komen
- officieel bekend gemaakt worden
- op bezoek komen, langskomen
Vervoeging van afkomen
afkomenhele werkwoord — kwam afverleden tijd enkelvoud — kwamen afverleden tijd meervoud — afgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom af | kwam af |
| jij | komt af | kwaamt af |
| hij, zij, het | komt af | kwam af |
| wij | komen af | kwamen af |
| jullie | komen af | kwamen af |
| zij | komen af | kwamen af |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| afgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| afgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkomend | onvoltooid, deelwoord |
| afkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| afkwam | bijzin, verleden tijd |
| afkwamen | bijzin, verleden tijd |
| ben afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom af | gebiedende wijs |
| kwam af | verleden tijd |
| te zijn afgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afkomen af zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afkomen af zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en komen ww
Woordfamilie van afkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgekomen | voltooid deelwoord | afkomen |
| afkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkomen |
| afkome | with-subordinate-clause | afkomen |
| afkomend | onvoltooid deelwoord | afkomen |
| afkomende | woordvorm | afkomen |
| afkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkomen |
| afkwam | subordinate-clause, verleden tijd | afkomen |
| afkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | afkomen |
| kom af | gebiedende wijs | afkomen |
| kome af | woordvorm | afkomen |
| komen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afkomen |
| komt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afkomen |
| kwam af | verleden tijd | afkomen |
| kwamen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkomen zijn vastgelegd.