afkoelen
werkwoord /'ʔɑfkulən/Betekenis
- kouder worden
- kouder doen worden
- minder boos worden
- een warme bereiding kouder laten worden
Hoe spreek je afkoelen uit?
/ˈɑfkulən/
Afkoelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- minder boos worden; tot rust komen figuratively
Vervoeging van afkoelen
afkoelenhele werkwoord — koelde afverleden tijd enkelvoud — koelden afverleden tijd meervoud — afgekoeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | koel af | koelde af |
| jij | koelt af | koelde af |
| hij, zij, het | koelt af | koelde af |
| wij | koelen af | koelden af |
| jullie | koelen af | koelden af |
| zij | koelen af | koelden af |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te koelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen koelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal koelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou koelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden koelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt koelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen koelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen koelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult koelen | bijzin, toekomende tijd |
| afgekoeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgekoeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgekoeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgekoeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekoeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekoeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekoeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgekoeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgekoeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgekoeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgekoeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkoel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkoelde | bijzin, verleden tijd |
| afkoelden | bijzin, verleden tijd |
| afkoelend | onvoltooid, deelwoord |
| afkoelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgekoeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgekoeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgekoeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgekoeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgekoeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgekoeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgekoeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgekoeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgekoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgekoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgekoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgekoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgekoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgekoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgekoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgekoeld | verleden tijd, deelwoord |
| hebben afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koel af | gebiedende wijs |
| koelde af | verleden tijd |
| koelt af | tegenwoordige tijd |
| te hebben afgekoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afkoelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgekoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgekoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgekoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgekoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgekoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgekoeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgekoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgekoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgekoeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekoeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afkoelen | toekomende tijd |
| zal afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afkoelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgekoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afkoelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afkoelen af zou(dt) koelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afkoelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgekoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgekoeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afkoelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgekoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgekoeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgekoeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekoeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekoeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afkoelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afkoelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en koelen ww
Woordfamilie van afkoelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgekoeld | voltooid deelwoord | afkoelen |
| afgekoelde | woordvorm | afkoelen |
| afkoel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkoelen |
| afkoelde | subordinate-clause, verleden tijd | afkoelen |
| afkoelden | subordinate-clause, verleden tijd | afkoelen |
| afkoele | with-subordinate-clause | afkoelen |
| afkoelend | onvoltooid deelwoord | afkoelen |
| afkoelende | woordvorm | afkoelen |
| afkoelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkoelen |
| koel af | gebiedende wijs | afkoelen |
| koelde af | verleden tijd | afkoelen |
| koelden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afkoelen |
| koele af | woordvorm | afkoelen |
| koelen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afkoelen |
| koelt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afkoelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkoelen zijn vastgelegd.