afknijpen
werkwoord ˈɑfknɛipə(n)Betekenis
- door knijpen verwijderen
- het uiterste vergen van (iemand)
- in omvang of kracht begrenzen
Hoe spreek je afknijpen uit?
/ˈɑfknɛipən/
Afknijpen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| n | nek |
| ɛi | trein |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afknijpen
afknijpenhele werkwoord — kneep afverleden tijd enkelvoud — knepen afverleden tijd meervoud — afgeknepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knijp af | kneep af |
| jij | knijpt af | kneep af |
| hij, zij, het | knijpt af | kneep af |
| wij | knijpen af | knepen af |
| jullie | knijpen af | knepen af |
| zij | knijpen af | knepen af |
Alle 117 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| af te knijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen knijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal knijpen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou knijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden knijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt knijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen knijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen knijpen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult knijpen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeknepen | verleden tijd, deelwoord |
| afgeknepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeknepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeknepen te zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeknepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeknepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeknepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeknepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeknepen zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeknepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeknepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkneep | bijzin, verleden tijd |
| afknepen | bijzin, verleden tijd |
| afknijp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afknijpend | onvoltooid, deelwoord |
| afknijpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeknepen | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was afgeknepen | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd afgeknepen | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt afgeknepen | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal afgeknepen worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal afgeknepen zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou afgeknepen worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou afgeknepen zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben, zijn afgeknepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kneep af | verleden tijd |
| knijp af | gebiedende wijs |
| te hebben, zijn afgeknepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afknijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeknepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeknepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeknepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeknepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeknepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeknepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeknepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeknepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeknepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeknepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afknijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeknepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afknijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afknijpen af zou(dt) knijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afknijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeknepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afknijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeknepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeknepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeknepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afknijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afknijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeknepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgeknepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afknijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afknijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afknijpen af zult/zal knijpen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en knijpen
Woordfamilie van afknijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeknepen | voltooid deelwoord | afknijpen |
| afkneep | subordinate-clause, verleden tijd | afknijpen |
| afknepen | subordinate-clause, verleden tijd | afknijpen |
| afknijp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afknijpen |
| afknijpe | with-subordinate-clause | afknijpen |
| afknijpend | onvoltooid deelwoord | afknijpen |
| afknijpende | woordvorm | afknijpen |
| afknijpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afknijpen |
| kneep af | verleden tijd | afknijpen |
| knepen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afknijpen |
| knijp af | gebiedende wijs | afknijpen |
| knijpe af | woordvorm | afknijpen |
| knijpen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afknijpen |
| knijpt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afknijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afknijpen zijn vastgelegd.