afknallen
werkwoord ˈɑfknɑlə(n)Betekenis
- met een vuurwapen neerschieten zonder veel nadenken
Hoe spreek je afknallen uit?
/ˈɑfknɑlən/
Afknallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| n | nek |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- met een vuurwapen neerschieten zonder veel nadenken #:*"Jagers zijn geen bloeddorstige monsters die rücksichtslos alles afknallen"
Vervoeging van afknallen
afknallenhele werkwoord — knalde afverleden tijd enkelvoud — knalden afverleden tijd meervoud — afgeknaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knal af | knalde af |
| jij | knalt af | knalde af |
| hij, zij, het | knalt af | knalde af |
| wij | knallen af | knalden af |
| jullie | knallen af | knalden af |
| zij | knallen af | knalden af |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te knallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen knallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal knallen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen knallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen knallen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult knallen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeknald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeknald | verleden tijd, deelwoord |
| afgeknald te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeknald zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afknal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afknalde | bijzin, verleden tijd |
| afknalden | bijzin, verleden tijd |
| afknallend | onvoltooid, deelwoord |
| afknalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| knal af | gebiedende wijs |
| knalde af | verleden tijd |
| te afgeknald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afknallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afknallen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afknallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afknallen af zou(dt) knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afknallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afknallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afknallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afknallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afknallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afknallen af zult/zal knallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en knallen ww cognaat met Duits abknallen;
Woordfamilie van afknallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeknald | voltooid deelwoord | afknallen |
| afknal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afknallen |
| afknalde | subordinate-clause, verleden tijd | afknallen |
| afknalden | subordinate-clause, verleden tijd | afknallen |
| afknalle | with-subordinate-clause | afknallen |
| afknallend | onvoltooid deelwoord | afknallen |
| afknallende | woordvorm | afknallen |
| afknalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afknallen |
| knal af | gebiedende wijs | afknallen |
| knalde af | verleden tijd | afknallen |
| knalden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afknallen |
| knalle af | woordvorm | afknallen |
| knallen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afknallen |
| knalt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afknallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afknallen zijn vastgelegd.