afkicken
werkwoordBetekenis
- Het stoppen van een verslaving of gewoonte met ontwenningsverschijnselen.
Vervoeging van afkicken
afkickenhele werkwoord — kickte afverleden tijd enkelvoud — kickten afverleden tijd meervoud — afgekicktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kick af | kickte af |
| jij | kickt af | kickte af |
| hij, zij, het | kickt af | kickte af |
| wij | kicken af | kickten af |
| jullie | kicken af | kickten af |
| zij | kicken af | kickten af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te kicken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen kicken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal kicken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou kicken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden kicken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt kicken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen kicken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen kicken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult kicken | bijzin, toekomende tijd |
| afgekickt | verleden tijd, deelwoord |
| afgekickt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekickt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkick | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkickend | onvoltooid, deelwoord |
| afkickt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkickte | bijzin, verleden tijd |
| afkickten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgekickt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgekickt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgekickt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgekickt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgekickt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgekickt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgekickt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekickt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekickt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kick af | gebiedende wijs |
| kickte af | verleden tijd |
| te hebben afgekickt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afkicken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afkicken | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afkicken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afkicken af zou(dt) kicken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afkicken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgekickt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afkicken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afkicken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afkicken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgekickt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afkicken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afkicken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afkicken af zult/zal kicken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘ontwennen van drugs’ voor het eerst aangetroffen in 1968
Woordfamilie van afkicken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgekickt | voltooid deelwoord | afkicken |
| afgekickte | woordvorm | afkicken |
| afkick | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkicken |
| afkicke | with-subordinate-clause | afkicken |
| afkickend | onvoltooid deelwoord | afkicken |
| afkickende | woordvorm | afkicken |
| afkickt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkicken |
| afkickte | subordinate-clause, verleden tijd | afkicken |
| afkickten | subordinate-clause, verleden tijd | afkicken |
| kick af | gebiedende wijs | afkicken |
| kicke af | woordvorm | afkicken |
| kicken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afkicken |
| kickt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afkicken |
| kickte af | verleden tijd | afkicken |
| kickten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afkicken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkicken zijn vastgelegd.