Naar de inhoud

afjakkeren

landurig zo snel voortdrijven dat totale uitputting het gevolg is (van last- of rijdieren)

afjakkeren

werkwoord ˈɑfjɑkərə(n)

Betekenis

  1. landurig zo snel voortdrijven dat totale uitputting het gevolg is (van last- of rijdieren)
  2. iemand te hard laten werken
  3. iets met te veel snelheid doen
  4. iemand kortaf en onvriendelijk behandelen

Hoe spreek je afjakkeren uit?

/ˈɑfjɑkərən/

Afjakkeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfjɑkərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
j ja
k kat
ə de
r rood
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. landurig zo snel voortdrijven dat totale uitputting het gevolg is transitive

Vervoeging van afjakkeren

afjakkerenhele werkwoord — jakkerde afverleden tijd enkelvoud — jakkerden afverleden tijd meervoud — afgejakkerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik jakker af jakkerde af
jij jakkert af jakkerde af
hij, zij, het jakkert af jakkerde af
wij jakkeren af jakkerden af
jullie jakkeren af jakkerden af
zij jakkeren af jakkerden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te jakkeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen jakkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal jakkeren bijzin, toekomende tijd
af zou jakkeren bijzin, voorwaardelijk
af zouden jakkeren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt jakkeren bijzin, voorwaardelijk
af zullen jakkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen jakkeren bijzin, toekomende tijd
af zult jakkeren bijzin, toekomende tijd
afgejakkerd verleden tijd, deelwoord
afgejakkerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgejakkerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgejakkerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgejakkerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgejakkerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgejakkerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgejakkerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgejakkerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgejakkerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgejakkerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afjakker bijzin, tegenwoordige tijd
afjakkerde bijzin, verleden tijd
afjakkerden bijzin, verleden tijd
afjakkerend onvoltooid, deelwoord
afjakkert bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgejakkerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgejakkerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgejakkerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgejakkerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgejakkerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgejakkerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgejakkerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgejakkerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgejakkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgejakkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgejakkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgejakkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgejakkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgejakkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgejakkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgejakkerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
jakker af gebiedende wijs
jakkerde af verleden tijd
te hebben afgejakkerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afjakkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgejakkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgejakkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgejakkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgejakkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgejakkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgejakkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgejakkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgejakkerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgejakkerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgejakkerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afjakkeren bijzin, toekomende tijd
zijn afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgejakkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afjakkeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afjakkeren af zou(dt) jakkeren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afjakkeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgejakkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgejakkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afjakkeren bijzin, voorwaardelijk
zullen afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgejakkerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgejakkerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgejakkerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgejakkerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afjakkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afjakkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afjakkeren bijzin, toekomende tijd
zult afgejakkerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en jakkeren ww

Woordfamilie van afjakkeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgejakkerd voltooid deelwoord afjakkeren
afgejakkerde woordvorm afjakkeren
afjakker subordinate-clause, tegenwoordige tijd afjakkeren
afjakkerde subordinate-clause, verleden tijd afjakkeren
afjakkerden subordinate-clause, verleden tijd afjakkeren
afjakkere with-subordinate-clause afjakkeren
afjakkerend onvoltooid deelwoord afjakkeren
afjakkerende woordvorm afjakkeren
afjakkert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afjakkeren
jakker af gebiedende wijs afjakkeren
jakkerde af verleden tijd afjakkeren
jakkerden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afjakkeren
jakkere af woordvorm afjakkeren
jakkeren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afjakkeren
jakkert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afjakkeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afjakkeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afjakkeren

Hoe spreek ik afjakkeren uit?
Zo spreek je afjakkeren uit: /ˈɑfjɑkərə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afjakkeren?
Afjakkeren is een werkwoord. De betekenis is: landurig zo snel voortdrijven dat totale uitputting het gevolg is (van last- of rijdieren). In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afjakkeren?
Zo vervoeg je afjakkeren zo: het voltooid deelwoord is afgejakkerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afjakkeren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. J 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afjakkeren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. J 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afjakkeren in het kort

afjakkeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afjakkeren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afjakkeren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afjakkeren: landurig zo snel voortdrijven dat totale uitputting het gevolg is (van last- of rijdieren)
Deel afjakkeren — standaardnederlands.nl