afhouden
werkwoordBetekenis
- op een afstand laten.
- zorgen dat iemand iets niet doet
- aftrekken
werkwoord
- op enige afstand laten, niet dichterbij laten komen transitive
- ~ van zorgen dat iemand iets niet doet, weerhouden [1] transitive
- aftrekken [1] transitive
Vervoeging van afhouden
afhoudenhele werkwoord — hield afverleden tijd enkelvoud — hielden afverleden tijd meervoud — afgehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou af | hield af |
| jij | houdt af | hield af |
| hij, zij, het | houdt af | hield af |
| wij | houden af | hielden af |
| jullie | houden af | hielden af |
| zij | houden af | hielden af |
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| afgehouden | verleden tijd, deelwoord |
| afgehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afhield | bijzin, verleden tijd |
| afhielden | bijzin, verleden tijd |
| afhou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| afhoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is afgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield af | verleden tijd |
| hou af | gebiedende wijs |
| houd af | gebiedende wijs |
| te hebben afgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afhouden af zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afhouden af zult/zal houden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en houden
Woordfamilie van afhouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgehouden | voltooid deelwoord | afhouden |
| afhield | subordinate-clause, verleden tijd | afhouden |
| afhielden | subordinate-clause, verleden tijd | afhouden |
| afhou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhouden |
| afhoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhouden |
| afhoude | with-subordinate-clause | afhouden |
| afhoudend | onvoltooid deelwoord | afhouden |
| afhoudende | woordvorm | afhouden |
| afhoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhouden |
| hield af | verleden tijd | afhouden |
| hielden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afhouden |
| hou af | gebiedende wijs | afhouden |
| houd af | gebiedende wijs | afhouden |
| houde af | woordvorm | afhouden |
| houden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afhouden |
| houdt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afhouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhouden zijn vastgelegd.