Naar de inhoud

afhouden

op een afstand laten.

afhouden

werkwoord

Betekenis

  1. op een afstand laten.
  2. zorgen dat iemand iets niet doet
  3. aftrekken

werkwoord

  1. op enige afstand laten, niet dichterbij laten komen transitive
  2. ~ van zorgen dat iemand iets niet doet, weerhouden [1] transitive
  3. aftrekken [1] transitive

Vervoeging van afhouden

afhoudenhele werkwoord — hield afverleden tijd enkelvoud — hielden afverleden tijd meervoud — afgehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou af hield af
jij houdt af hield af
hij, zij, het houdt af hield af
wij houden af hielden af
jullie houden af hielden af
zij houden af hielden af
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal houden bijzin, toekomende tijd
af zou houden bijzin, voorwaardelijk
af zouden houden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
af zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen houden bijzin, toekomende tijd
af zult houden bijzin, toekomende tijd
afgehouden verleden tijd, deelwoord
afgehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afhield bijzin, verleden tijd
afhielden bijzin, verleden tijd
afhou bijzin, tegenwoordige tijd
afhoud bijzin, tegenwoordige tijd
afhoudend onvoltooid, deelwoord
afhoudt bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgehouden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgehouden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgehouden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgehouden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgehouden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgehouden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield af verleden tijd
hou af gebiedende wijs
houd af gebiedende wijs
te hebben afgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afhouden bijzin, toekomende tijd
zou afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afhouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afhouden af zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afhouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afhouden bijzin, voorwaardelijk
zullen afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afhouden bijzin, toekomende tijd
zult afgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afhouden bijzin, toekomende tijd
zult/zal afhouden af zult/zal houden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af en houden

Woordfamilie van afhouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgehouden voltooid deelwoord afhouden
afhield subordinate-clause, verleden tijd afhouden
afhielden subordinate-clause, verleden tijd afhouden
afhou subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhouden
afhoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhouden
afhoude with-subordinate-clause afhouden
afhoudend onvoltooid deelwoord afhouden
afhoudende woordvorm afhouden
afhoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhouden
hield af verleden tijd afhouden
hielden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afhouden
hou af gebiedende wijs afhouden
houd af gebiedende wijs afhouden
houde af woordvorm afhouden
houden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afhouden
houdt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afhouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhouden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afhouden

Wat betekent afhouden?
Afhouden is een werkwoord. Het woord betekent: op een afstand laten. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afhouden?
Je vervoegt afhouden als volgt: het voltooid deelwoord is afgehouden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afhouden is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. O 1
  5. U 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afhouden levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. O 1
  5. U 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afhouden in het kort

afhouden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afhouden zijn 55 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afhouden bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afhouden: op een afstand laten.
Deel afhouden — standaardnederlands.nl