Naar de inhoud

afhappen

happen zodat er iets verdwijnt

afhappen

werkwoord

Betekenis

  1. happen zodat er iets verdwijnt
  2. iemand iets ontnemen

Vervoeging van afhappen

afhappenhele werkwoord — hapte afverleden tijd enkelvoud — hapten afverleden tijd meervoud — afgehaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hap af hapte af
jij hapt af hapte af
hij, zij, het hapt af hapte af
wij happen af hapten af
jullie happen af hapten af
zij happen af hapten af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te happen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen happen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal happen bijzin, toekomende tijd
af zou happen bijzin, voorwaardelijk
af zouden happen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt happen bijzin, voorwaardelijk
af zullen happen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen happen bijzin, toekomende tijd
af zult happen bijzin, toekomende tijd
afgehapt verleden tijd, deelwoord
afgehapt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehapt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afhap bijzin, tegenwoordige tijd
afhappend onvoltooid, deelwoord
afhapt bijzin, tegenwoordige tijd
afhapte bijzin, verleden tijd
afhapten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had afgehapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgehapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgehapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgehapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgehapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgehapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgehapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hap af gebiedende wijs
hapte af verleden tijd
heb afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgehapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgehapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgehapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afhappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afhappen bijzin, toekomende tijd
zou afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afhappen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afhappen af zou(dt) happen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afhappen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgehapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afhappen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afhappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afhappen bijzin, toekomende tijd
zult afgehapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afhappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afhappen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afhappen af zult/zal happen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en happen ww

Woordfamilie van afhappen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgehapt voltooid deelwoord afhappen
afgehapte woordvorm afhappen
afhap subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhappen
afhappe with-subordinate-clause afhappen
afhappend onvoltooid deelwoord afhappen
afhappende woordvorm afhappen
afhapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhappen
afhapte subordinate-clause, verleden tijd afhappen
afhapten subordinate-clause, verleden tijd afhappen
hap af gebiedende wijs afhappen
happe af woordvorm afhappen
happen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afhappen
hapt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afhappen
hapte af verleden tijd afhappen
hapten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afhappen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhappen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afhappen

Wat is de betekenis van afhappen?
Afhappen is een werkwoord. De betekenis is: happen zodat er iets verdwijnt. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afhappen?
Zo vervoeg je afhappen zo: het voltooid deelwoord is afgehapt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afhappen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. P 3
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afhappen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. P 4
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afhappen in het kort

afhappen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afhappen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afhappen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afhappen: happen zodat er iets verdwijnt
Deel afhappen — standaardnederlands.nl