afgraven
werkwoord ˈɑfxravə(n)Betekenis
- door graven een aardlaag geheel verwijderen
Hoe spreek je afgraven uit?
/ˈɑfxravən/
Afgraven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| x | acht |
| r | rood |
| a | maan |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afgraven
afgravenhele werkwoord — groef afverleden tijd enkelvoud — groeven afverleden tijd meervoud — afgegravenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | graaf af | groef af |
| jij | graaft af | groef af |
| hij, zij, het | graaft af | groef af |
| wij | graven af | groeven af |
| jullie | graven af | groeven af |
| zij | graven af | groeven af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te graven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen graven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal graven | bijzin, toekomende tijd |
| af zou graven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden graven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt graven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen graven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen graven | bijzin, toekomende tijd |
| af zult graven | bijzin, toekomende tijd |
| afgegraven | verleden tijd, deelwoord |
| afgegraven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgegraven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgegraven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegraven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegraven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegraven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgegraven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgegraven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgegraven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgegraven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgraaf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgraaft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgravend | onvoltooid, deelwoord |
| afgroef | bijzin, verleden tijd |
| afgroeven | bijzin, verleden tijd |
| ben afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgegraven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgegraven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgegraven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgegraven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgegraven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgegraven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgegraven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgegraven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| graaf af | gebiedende wijs |
| groef af | verleden tijd |
| had afgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgegraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgegraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afgraven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afgraven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afgraven af zou(dt) graven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afgraven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afgraven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afgraven | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en graven ww
Woordfamilie van afgraven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgegraven | voltooid deelwoord | afgraven |
| afgraaf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afgraven |
| afgraaft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afgraven |
| afgrave | with-subordinate-clause | afgraven |
| afgravend | onvoltooid deelwoord | afgraven |
| afgravende | woordvorm | afgraven |
| afgroef | subordinate-clause, verleden tijd | afgraven |
| afgroeven | subordinate-clause, verleden tijd | afgraven |
| graaf af | gebiedende wijs | afgraven |
| graaft af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afgraven |
| grave af | woordvorm | afgraven |
| graven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afgraven |
| groef af | verleden tijd | afgraven |
| groeven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afgraven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afgraven zijn vastgelegd.