Naar de inhoud

afdwingen

onder dwang iets verkrijgen

afdwingen

werkwoord

Betekenis

  1. onder dwang iets verkrijgen
  2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen

werkwoord

  1. via de wetgeving of statuten iets bewerkstelligen, doen naleven

Vervoeging van afdwingen

afdwingenhele werkwoord — dwong afverleden tijd enkelvoud — dwongen afverleden tijd meervoud — afgedwongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dwing af dwong af
jij dwingt af dwong af
hij, zij, het dwingt af dwong af
wij dwingen af dwongen af
jullie dwingen af dwongen af
zij dwingen af dwongen af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te dwingen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen dwingen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal dwingen bijzin, toekomende tijd
af zou dwingen bijzin, voorwaardelijk
af zouden dwingen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt dwingen bijzin, voorwaardelijk
af zullen dwingen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen dwingen bijzin, toekomende tijd
af zult dwingen bijzin, toekomende tijd
afdwing bijzin, tegenwoordige tijd
afdwingend onvoltooid, deelwoord
afdwingt bijzin, tegenwoordige tijd
afdwong bijzin, verleden tijd
afdwongen bijzin, verleden tijd
afdwongt bijzin, verleden tijd
afgedwongen verleden tijd, deelwoord
afgedwongen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgedwongen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgedwongen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedwongen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedwongen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedwongen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgedwongen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgedwongen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgedwongen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgedwongen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dwing af gebiedende wijs
dwong af verleden tijd
er is afgedwongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgedwongen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgedwongen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgedwongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgedwongen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgedwongen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgedwongen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgedwongen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgedwongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgedwongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgedwongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgedwongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgedwongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgedwongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgedwongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgedwongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgedwongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afdwingen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgedwongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedwongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgedwongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedwongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgedwongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgedwongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgedwongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgedwongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afdwingen bijzin, toekomende tijd
zal afgedwongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedwongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgedwongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgedwongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedwongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgedwongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afdwingen bijzin, voorwaardelijk
zou afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afdwingen af zou(dt) dwingen bijzin, voorwaardelijk
zouden afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afdwingen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afdwingen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgedwongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgedwongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afdwingen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afdwingen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afdwingen bijzin, toekomende tijd
zullen afgedwongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedwongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedwongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgedwongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgedwongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedwongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedwongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en dwingen ww , vergelijk Duits aufzwingen

Woordfamilie van afdwingen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afdwing subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdwingen
afdwinge with-subordinate-clause afdwingen
afdwingend onvoltooid deelwoord afdwingen
afdwingende woordvorm afdwingen
afdwingt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdwingen
afdwong subordinate-clause, verleden tijd afdwingen
afdwongen subordinate-clause, verleden tijd afdwingen
afgedwongen voltooid deelwoord afdwingen
dwing af gebiedende wijs afdwingen
dwinge af woordvorm afdwingen
dwingen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afdwingen
dwingt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afdwingen
dwong af verleden tijd afdwingen
dwongen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afdwingen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdwingen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afdwingen

Wat is de betekenis van afdwingen?
Afdwingen is een werkwoord. De betekenis is: onder dwang iets verkrijgen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afdwingen?
Zo vervoeg je afdwingen zo: het voltooid deelwoord is afgedwongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afdwingen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. W 5
  5. I 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afdwingen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. W 5
  5. I 2
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afdwingen in het kort

afdwingen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afdwingen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afdwingen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afdwingen: onder dwang iets verkrijgen
Deel afdwingen — standaardnederlands.nl