afdwingen
werkwoordBetekenis
- onder dwang iets verkrijgen
- onweerlegbaar iets bewerkstelligen
werkwoord
- via de wetgeving of statuten iets bewerkstelligen, doen naleven
Vervoeging van afdwingen
afdwingenhele werkwoord — dwong afverleden tijd enkelvoud — dwongen afverleden tijd meervoud — afgedwongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dwing af | dwong af |
| jij | dwingt af | dwong af |
| hij, zij, het | dwingt af | dwong af |
| wij | dwingen af | dwongen af |
| jullie | dwingen af | dwongen af |
| zij | dwingen af | dwongen af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te dwingen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen dwingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal dwingen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou dwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden dwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt dwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen dwingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen dwingen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult dwingen | bijzin, toekomende tijd |
| afdwing | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdwingend | onvoltooid, deelwoord |
| afdwingt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdwong | bijzin, verleden tijd |
| afdwongen | bijzin, verleden tijd |
| afdwongt | bijzin, verleden tijd |
| afgedwongen | verleden tijd, deelwoord |
| afgedwongen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedwongen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedwongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedwongen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedwongen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedwongen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedwongen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedwongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedwongen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedwongen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dwing af | gebiedende wijs |
| dwong af | verleden tijd |
| er is afgedwongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedwongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedwongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedwongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedwongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedwongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedwongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedwongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedwongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedwongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedwongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedwongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedwongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedwongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedwongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedwongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedwongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdwingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedwongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedwongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedwongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedwongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedwongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedwongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedwongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedwongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdwingen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedwongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedwongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedwongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedwongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedwongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedwongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdwingen af zou(dt) dwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdwingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedwongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedwongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdwingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdwingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdwingen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedwongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedwongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedwongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedwongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedwongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedwongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedwongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en dwingen ww , vergelijk Duits aufzwingen
Woordfamilie van afdwingen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdwing | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdwingen |
| afdwinge | with-subordinate-clause | afdwingen |
| afdwingend | onvoltooid deelwoord | afdwingen |
| afdwingende | woordvorm | afdwingen |
| afdwingt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdwingen |
| afdwong | subordinate-clause, verleden tijd | afdwingen |
| afdwongen | subordinate-clause, verleden tijd | afdwingen |
| afgedwongen | voltooid deelwoord | afdwingen |
| dwing af | gebiedende wijs | afdwingen |
| dwinge af | woordvorm | afdwingen |
| dwingen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdwingen |
| dwingt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdwingen |
| dwong af | verleden tijd | afdwingen |
| dwongen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdwingen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdwingen zijn vastgelegd.