afdwalen
werkwoord ˈɑvdwalə(n)Betekenis
- het juiste pad kwijt raken
Hoe spreek je afdwalen uit?
/ˈɑvdwalən/
Afdwalen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| d | dak |
| w | quiz |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afdwalen
afdwalenhele werkwoord — dwaalde afverleden tijd enkelvoud — dwaalden afverleden tijd meervoud — afgedwaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dwaal af | dwaalde af |
| jij | dwaalt af | dwaalde af |
| hij, zij, het | dwaalt af | dwaalde af |
| wij | dwalen af | dwaalden af |
| jullie | dwalen af | dwaalden af |
| zij | dwalen af | dwaalden af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te dwalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen dwalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal dwalen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou dwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden dwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt dwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen dwalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen dwalen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult dwalen | bijzin, toekomende tijd |
| afdwaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdwaalde | bijzin, verleden tijd |
| afdwaalden | bijzin, verleden tijd |
| afdwaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdwalend | onvoltooid, deelwoord |
| afgedwaald | verleden tijd, deelwoord |
| afgedwaald te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedwaald zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dwaal af | gebiedende wijs |
| dwaalde af | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgedwaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdwalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedwaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedwaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedwaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedwaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedwaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedwaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedwaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdwalen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedwaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedwaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdwalen af zou(dt) dwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdwalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedwaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdwalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdwalen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdwalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afdwalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgedwaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afdwalen af zult/zal dwalen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en dwalen ww
Woordfamilie van afdwalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdwaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdwalen |
| afdwaalde | subordinate-clause, verleden tijd | afdwalen |
| afdwaalden | subordinate-clause, verleden tijd | afdwalen |
| afdwaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdwalen |
| afdwale | with-subordinate-clause | afdwalen |
| afdwalend | onvoltooid deelwoord | afdwalen |
| afdwalende | woordvorm | afdwalen |
| afgedwaald | voltooid deelwoord | afdwalen |
| dwaal af | gebiedende wijs | afdwalen |
| dwaalde af | verleden tijd | afdwalen |
| dwaalden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdwalen |
| dwaalt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdwalen |
| dwale af | woordvorm | afdwalen |
| dwalen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdwalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdwalen zijn vastgelegd.