afdrukken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑvdrʏkə(n)Betekenis
- in- of uitschakelen door op een knop te drukken
- (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
Hoe spreek je afdrukken uit?
/ˈɑvdrʏkən/
Afdrukken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| d | dak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- weergeven d.m.v. een printer of een drukpers transitive
Vervoeging van afdrukken
afdrukkenhele werkwoord — drukte afverleden tijd enkelvoud — drukten afverleden tijd meervoud — afgedruktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | druk af | drukte af |
| jij | drukt af | drukte af |
| hij, zij, het | drukt af | drukte af |
| wij | drukken af | drukten af |
| jullie | drukken af | drukten af |
| zij | drukken af | drukten af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te drukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen drukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal drukken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou drukken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden drukken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt drukken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen drukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen drukken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult drukken | bijzin, toekomende tijd |
| afdruk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdrukkend | onvoltooid, deelwoord |
| afdrukt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdrukte | bijzin, verleden tijd |
| afdrukten | bijzin, verleden tijd |
| afgedrukt | verleden tijd, deelwoord |
| afgedrukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedrukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| druk af | gebiedende wijs |
| drukte af | verleden tijd |
| er is afgedrukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedrukt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedrukt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedrukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedrukt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedrukt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedrukt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedrukt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedrukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedrukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdrukken af zou(dt) drukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afdrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgedrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afdrukken af zult/zal drukken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afdruk
Herkomst
samenstelling van af en drukken
Woordfamilie van afdrukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdrukke | with-subordinate-clause | afdrukken |
| afdrukkend | onvoltooid deelwoord | afdrukken |
| afdrukkende | woordvorm | afdrukken |
| afdrukt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdrukken |
| afdrukte | subordinate-clause, verleden tijd | afdrukken |
| afdrukten | subordinate-clause, verleden tijd | afdrukken |
| afgedrukt | voltooid deelwoord | afdrukken |
| afgedrukte | woordvorm | afdrukken |
| druk af | gebiedende wijs | afdrukken |
| drukke af | woordvorm | afdrukken |
| drukken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdrukken |
| drukt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdrukken |
| drukte af | verleden tijd | afdrukken |
| drukten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdrukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdrukken zijn vastgelegd.