afdrinken
werkwoordBetekenis
- leegdrinken, uitdrinken, beëindigen
Vervoeging van afdrinken
afdrinkenhele werkwoord — dronk afverleden tijd enkelvoud — dronken afverleden tijd meervoud — afgedronkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | drink af | dronk af |
| jij | drinkt af | dronk af |
| hij, zij, het | drinkt af | dronk af |
| wij | drinken af | dronken af |
| jullie | drinken af | dronken af |
| zij | drinken af | dronken af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te drinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen drinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal drinken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou drinken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden drinken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt drinken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen drinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen drinken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult drinken | bijzin, toekomende tijd |
| afdrink | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdrinkend | onvoltooid, deelwoord |
| afdrinkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdronk | bijzin, verleden tijd |
| afdronken | bijzin, verleden tijd |
| afgedronken | verleden tijd, deelwoord |
| afgedronken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedronken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedronken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedronken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedronken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedronken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedronken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedronken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedronken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedronken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| drink af | gebiedende wijs |
| dronk af | verleden tijd |
| er is afgedronken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedronken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedronken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedronken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedronken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedronken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedronken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedronken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedronken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedronken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedronken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedronken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedronken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedronken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedronken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedronken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedronken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdrinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedronken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedronken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedronken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedronken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedronken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedronken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedronken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedronken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdrinken | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedronken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedronken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedronken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedronken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedronken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedronken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdrinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdrinken af zou(dt) drinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdrinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdrinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedronken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedronken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdrinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdrinken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedronken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedronken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedronken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedronken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedronken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedronken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedronken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdrinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af en drinken
Woordfamilie van afdrinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdrink | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdrinken |
| afdrinke | with-subordinate-clause | afdrinken |
| afdrinkend | onvoltooid deelwoord | afdrinken |
| afdrinkende | woordvorm | afdrinken |
| afdrinkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdrinken |
| afgedronken | voltooid deelwoord | afdrinken |
| drink af | gebiedende wijs | afdrinken |
| drinke af | woordvorm | afdrinken |
| drinken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdrinken |
| drinkt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdrinken |
| dronk af | verleden tijd | afdrinken |
| dronken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdrinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdrinken zijn vastgelegd.