afdrijven
werkwoordBetekenis
- onder invloed van bijvoorbeeld de wind van zijn plaats geraken
- het doen afschijden van iets inwendigs
- goud of zilver zuiveren van het lood, koper enz. waarmee het vermengd is
werkwoord
- het doen afscheiden van iets inwendigs transitive
Vervoeging van afdrijven
afdrijvenhele werkwoord — dreef afverleden tijd enkelvoud — dreven afverleden tijd meervoud — afgedrevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | drijf af | dreef af |
| jij | drijft af | dreef af |
| hij, zij, het | drijft af | dreef af |
| wij | drijven af | dreven af |
| jullie | drijven af | dreven af |
| zij | drijven af | dreven af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te drijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen drijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal drijven | bijzin, toekomende tijd |
| af zou drijven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden drijven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt drijven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen drijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen drijven | bijzin, toekomende tijd |
| af zult drijven | bijzin, toekomende tijd |
| afdreef | bijzin, verleden tijd |
| afdreeft | bijzin, verleden tijd |
| afdreven | bijzin, verleden tijd |
| afdrijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdrijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdrijvend | onvoltooid, deelwoord |
| afgedreven | verleden tijd, deelwoord |
| afgedreven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedreven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedreven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedreven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedreven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedreven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedreven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedreven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedreven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedreven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dreef af | verleden tijd |
| drijf af | gebiedende wijs |
| er is afgedreven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedreven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedreven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedreven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedreven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedreven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedreven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedreven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedreven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedreven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdrijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdrijven | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedreven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedreven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedreven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedreven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedreven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdrijven af zou(dt) drijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdrijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdrijven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedreven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedreven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedreven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedreven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedreven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedreven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en drijven ww
Woordfamilie van afdrijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdreef | subordinate-clause, verleden tijd | afdrijven |
| afdreven | subordinate-clause, verleden tijd | afdrijven |
| afdrijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdrijven |
| afdrijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdrijven |
| afdrijve | with-subordinate-clause | afdrijven |
| afdrijvend | onvoltooid deelwoord | afdrijven |
| afdrijvende | woordvorm | afdrijven |
| afgedreven | voltooid deelwoord | afdrijven |
| dreef af | verleden tijd | afdrijven |
| dreven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdrijven |
| drijf af | gebiedende wijs | afdrijven |
| drijft af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdrijven |
| drijve af | woordvorm | afdrijven |
| drijven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdrijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdrijven zijn vastgelegd.