Naar de inhoud

afdrijven

onder invloed van bijvoorbeeld de wind van zijn plaats geraken

afdrijven

werkwoord

Betekenis

  1. onder invloed van bijvoorbeeld de wind van zijn plaats geraken
  2. het doen afschijden van iets inwendigs
  3. goud of zilver zuiveren van het lood, koper enz. waarmee het vermengd is

werkwoord

  1. het doen afscheiden van iets inwendigs transitive

Vervoeging van afdrijven

afdrijvenhele werkwoord — dreef afverleden tijd enkelvoud — dreven afverleden tijd meervoud — afgedrevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik drijf af dreef af
jij drijft af dreef af
hij, zij, het drijft af dreef af
wij drijven af dreven af
jullie drijven af dreven af
zij drijven af dreven af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te drijven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen drijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal drijven bijzin, toekomende tijd
af zou drijven bijzin, voorwaardelijk
af zouden drijven bijzin, voorwaardelijk
af zoudt drijven bijzin, voorwaardelijk
af zullen drijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen drijven bijzin, toekomende tijd
af zult drijven bijzin, toekomende tijd
afdreef bijzin, verleden tijd
afdreeft bijzin, verleden tijd
afdreven bijzin, verleden tijd
afdrijf bijzin, tegenwoordige tijd
afdrijft bijzin, tegenwoordige tijd
afdrijvend onvoltooid, deelwoord
afgedreven verleden tijd, deelwoord
afgedreven te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgedreven te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgedreven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedreven te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedreven te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedreven worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgedreven zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgedreven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgedreven zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgedreven zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dreef af verleden tijd
drijf af gebiedende wijs
er is afgedreven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgedreven impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgedreven impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgedreven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgedreven worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgedreven zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgedreven worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgedreven zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgedreven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgedreven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgedreven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgedreven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgedreven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgedreven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgedreven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgedreven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgedreven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afdrijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgedreven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedreven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgedreven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedreven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgedreven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgedreven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgedreven voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgedreven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgedreven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgedreven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgedreven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgedreven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgedreven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgedreven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afdrijven bijzin, toekomende tijd
zal afgedreven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedreven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgedreven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgedreven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedreven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgedreven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afdrijven bijzin, voorwaardelijk
zou afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afdrijven af zou(dt) drijven bijzin, voorwaardelijk
zouden afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afdrijven bijzin, voorwaardelijk
zouden afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afdrijven bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgedreven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgedreven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afdrijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afdrijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afdrijven bijzin, toekomende tijd
zullen afgedreven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedreven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedreven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgedreven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgedreven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedreven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedreven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en drijven ww

Woordfamilie van afdrijven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afdreef subordinate-clause, verleden tijd afdrijven
afdreven subordinate-clause, verleden tijd afdrijven
afdrijf subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdrijven
afdrijft subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdrijven
afdrijve with-subordinate-clause afdrijven
afdrijvend onvoltooid deelwoord afdrijven
afdrijvende woordvorm afdrijven
afgedreven voltooid deelwoord afdrijven
dreef af verleden tijd afdrijven
dreven af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afdrijven
drijf af gebiedende wijs afdrijven
drijft af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afdrijven
drijve af woordvorm afdrijven
drijven af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afdrijven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdrijven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afdrijven

Wat is de betekenis van afdrijven?
Afdrijven is een werkwoord. De betekenis is: onder invloed van bijvoorbeeld de wind van zijn plaats geraken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afdrijven?
Zo vervoeg je afdrijven zo: het voltooid deelwoord is afgedreven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afdrijven is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. R 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afdrijven levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. R 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afdrijven in het kort

afdrijven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afdrijven staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afdrijven bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afdrijven: onder invloed van bijvoorbeeld de wind van zijn plaats geraken
Deel afdrijven — standaardnederlands.nl