afdreggen
werkwoordBetekenis
- systematisch de bodem van een water afzoeken met een baggeraar
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van afdreggen
afdreggenhele werkwoord — dregde afverleden tijd enkelvoud — dregden afverleden tijd meervoud — afgedregdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dreg af | dregde af |
| jij | dregt af | dregde af |
| hij, zij, het | dregt af | dregde af |
| wij | dreggen af | dregden af |
| jullie | dreggen af | dregden af |
| zij | dreggen af | dregden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te dreggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen dreggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal dreggen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou dreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden dreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt dreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen dreggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen dreggen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult dreggen | bijzin, toekomende tijd |
| afdreg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdregde | bijzin, verleden tijd |
| afdregden | bijzin, verleden tijd |
| afdreggend | onvoltooid, deelwoord |
| afdregt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgedregd | verleden tijd, deelwoord |
| afgedregd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedregd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedregd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedregd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedregd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedregd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedregd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedregd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedregd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedregd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dreg af | gebiedende wijs |
| dregde af | verleden tijd |
| er is afgedregd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedregd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedregd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedregd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedregd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedregd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedregd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedregd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedregd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedregd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedregd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedregd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedregd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedregd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedregd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedregd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedregd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdreggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedregd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedregd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedregd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedregd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedregd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedregd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedregd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedregd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdreggen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedregd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedregd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedregd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedregd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedregd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedregd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdreggen af zou(dt) dreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdreggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedregd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedregd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdreggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdreggen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedregd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedregd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedregd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedregd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedregd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedregd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedregd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdreggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en dreggen ww
Woordfamilie van afdreggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdreg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdreggen |
| afdregde | subordinate-clause, verleden tijd | afdreggen |
| afdregden | subordinate-clause, verleden tijd | afdreggen |
| afdregge | with-subordinate-clause | afdreggen |
| afdreggend | onvoltooid deelwoord | afdreggen |
| afdreggende | woordvorm | afdreggen |
| afdregt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdreggen |
| afgedregd | voltooid deelwoord | afdreggen |
| afgedregde | woordvorm | afdreggen |
| dreg af | gebiedende wijs | afdreggen |
| dregde af | verleden tijd | afdreggen |
| dregden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdreggen |
| dregge af | woordvorm | afdreggen |
| dreggen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdreggen |
| dregt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdreggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdreggen zijn vastgelegd.