afdekken
werkwoord ˈɑvdɛkə(n)Betekenis
- iets over iets anders heen plaatsen
- iemand beschermen tegen een aanval
Hoe spreek je afdekken uit?
/ˈɑvdɛkən/
Afdekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| d | dak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afdekken
afdekkenhele werkwoord — dekte afverleden tijd enkelvoud — dekten afverleden tijd meervoud — afgedektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dek af | dekte af |
| jij | dekt af | dekte af |
| hij, zij, het | dekt af | dekte af |
| wij | dekken af | dekten af |
| jullie | dekken af | dekten af |
| zij | dekken af | dekten af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te dekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen dekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal dekken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou dekken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden dekken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt dekken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen dekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen dekken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult dekken | bijzin, toekomende tijd |
| afdek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdekkend | onvoltooid, deelwoord |
| afdekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdekte | bijzin, verleden tijd |
| afdekten | bijzin, verleden tijd |
| afgedekt | verleden tijd, deelwoord |
| afgedekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dek af | gebiedende wijs |
| dekte af | verleden tijd |
| er is afgedekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdekken | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdekken af zou(dt) dekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdekken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afdekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afdekken af zult/zal dekken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en dekken ww
Woordfamilie van afdekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdekken |
| afdekke | with-subordinate-clause | afdekken |
| afdekkend | onvoltooid deelwoord | afdekken |
| afdekkende | woordvorm | afdekken |
| afdekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdekken |
| afdekte | subordinate-clause, verleden tijd | afdekken |
| afdekten | subordinate-clause, verleden tijd | afdekken |
| afgedekt | voltooid deelwoord | afdekken |
| afgedekte | woordvorm | afdekken |
| dek af | gebiedende wijs | afdekken |
| dekke af | woordvorm | afdekken |
| dekken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdekken |
| dekt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdekken |
| dekte af | verleden tijd | afdekken |
| dekten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdekken zijn vastgelegd.