afdanken
werkwoordBetekenis
- wegdoen vanwege gebrek aan nut
- iemand verlaten terwijl hij je vroeger wel geholpen heeft
Vervoeging van afdanken
afdankenhele werkwoord — dankte afverleden tijd enkelvoud — dankten afverleden tijd meervoud — afgedanktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dank af | dankte af |
| jij | dankt af | dankte af |
| hij, zij, het | dankt af | dankte af |
| wij | danken af | dankten af |
| jullie | danken af | dankten af |
| zij | danken af | dankten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te danken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen danken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal danken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou danken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden danken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt danken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen danken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen danken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult danken | bijzin, toekomende tijd |
| afdank | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdankend | onvoltooid, deelwoord |
| afdankt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdankte | bijzin, verleden tijd |
| afdankten | bijzin, verleden tijd |
| afgedankt | verleden tijd, deelwoord |
| afgedankt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedankt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedankt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedankt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedankt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedankt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedankt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedankt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedankt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedankt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dank af | gebiedende wijs |
| dankte af | verleden tijd |
| er is afgedankt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedankt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedankt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedankt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedankt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedankt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedankt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedankt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdanken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedankt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdanken | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedankt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedankt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdanken af zou(dt) danken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdanken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedankt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdanken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdanken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedankt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedankt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedankt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedankt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdanken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘afwijzen, uit de dienst ontslaan’ voor het eerst aangetroffen in 1546
Woordfamilie van afdanken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdank | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdanken |
| afdanke | with-subordinate-clause | afdanken |
| afdankend | onvoltooid deelwoord | afdanken |
| afdankende | woordvorm | afdanken |
| afdankt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdanken |
| afdankte | subordinate-clause, verleden tijd | afdanken |
| afdankten | subordinate-clause, verleden tijd | afdanken |
| dank af | gebiedende wijs | afdanken |
| danke af | woordvorm | afdanken |
| danken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdanken |
| dankt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdanken |
| dankte af | verleden tijd | afdanken |
| dankten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdanken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdanken zijn vastgelegd.