Naar de inhoud

afbuigen

van richting veranderen

afbuigen

werkwoord

Betekenis

  1. van richting veranderen

Vervoeging van afbuigen

afbuigenhele werkwoord — boog afverleden tijd enkelvoud — bogen afverleden tijd meervoud — afgebogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buig af boog af
jij buigt af boog af
hij, zij, het buigt af boog af
wij buigen af bogen af
jullie buigen af bogen af
zij buigen af bogen af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te buigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen buigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal buigen bijzin, toekomende tijd
af zou buigen bijzin, voorwaardelijk
af zouden buigen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt buigen bijzin, voorwaardelijk
af zullen buigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen buigen bijzin, toekomende tijd
af zult buigen bijzin, toekomende tijd
afbogen bijzin, verleden tijd
afboog bijzin, verleden tijd
afbuig bijzin, tegenwoordige tijd
afbuigend onvoltooid, deelwoord
afbuigt bijzin, tegenwoordige tijd
afgebogen verleden tijd, deelwoord
afgebogen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebogen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
boog af verleden tijd
buig af gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
is afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgebogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbuigen bijzin, toekomende tijd
zal afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbuigen bijzin, voorwaardelijk
zou afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbuigen af zou(dt) buigen bijzin, voorwaardelijk
zouden afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbuigen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbuigen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbuigen bijzin, toekomende tijd
zullen afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afbuigen bijzin, toekomende tijd
zult afgebogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal afbuigen af zult/zal buigen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en buigen ww

Woordfamilie van afbuigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbogen subordinate-clause, verleden tijd afbuigen
afboog subordinate-clause, verleden tijd afbuigen
afbuig subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbuigen
afbuige with-subordinate-clause afbuigen
afbuigend onvoltooid deelwoord afbuigen
afbuigende woordvorm afbuigen
afbuigt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbuigen
afgebogen voltooid deelwoord afbuigen
bogen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbuigen
boog af verleden tijd afbuigen
buig af gebiedende wijs afbuigen
buige af woordvorm afbuigen
buigen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbuigen
buigt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afbuigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbuigen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afbuigen

Wat is de betekenis van afbuigen?
Afbuigen is een werkwoord. De betekenis is: van richting veranderen.
Hoe vervoeg ik afbuigen?
Zo vervoeg je afbuigen zo: het voltooid deelwoord is afgebogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbuigen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. U 4
  5. I 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbuigen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. U 2
  5. I 2
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbuigen in het kort

afbuigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afbuigen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afbuigen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afbuigen: van richting veranderen
Deel afbuigen — standaardnederlands.nl