afbuigen
werkwoordBetekenis
- van richting veranderen
Vervoeging van afbuigen
afbuigenhele werkwoord — boog afverleden tijd enkelvoud — bogen afverleden tijd meervoud — afgebogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | buig af | boog af |
| jij | buigt af | boog af |
| hij, zij, het | buigt af | boog af |
| wij | buigen af | bogen af |
| jullie | buigen af | bogen af |
| zij | buigen af | bogen af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te buigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen buigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal buigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen buigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen buigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult buigen | bijzin, toekomende tijd |
| afbogen | bijzin, verleden tijd |
| afboog | bijzin, verleden tijd |
| afbuig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbuigend | onvoltooid, deelwoord |
| afbuigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgebogen | verleden tijd, deelwoord |
| afgebogen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebogen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| boog af | verleden tijd |
| buig af | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgebogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgebogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgebogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgebogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgebogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgebogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afbuigen af zou(dt) buigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afbuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afbuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afbuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afbuigen af zult/zal buigen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en buigen ww
Woordfamilie van afbuigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbogen | subordinate-clause, verleden tijd | afbuigen |
| afboog | subordinate-clause, verleden tijd | afbuigen |
| afbuig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbuigen |
| afbuige | with-subordinate-clause | afbuigen |
| afbuigend | onvoltooid deelwoord | afbuigen |
| afbuigende | woordvorm | afbuigen |
| afbuigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbuigen |
| afgebogen | voltooid deelwoord | afbuigen |
| bogen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbuigen |
| boog af | verleden tijd | afbuigen |
| buig af | gebiedende wijs | afbuigen |
| buige af | woordvorm | afbuigen |
| buigen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbuigen |
| buigt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbuigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbuigen zijn vastgelegd.