Naar de inhoud

afbranden

geheel door brand teloorgaan

afbranden

werkwoord

Betekenis

  1. geheel door brand teloorgaan
  2. geheel door brand vernietigen
  3. iets of iemand kleineren, belachelijk maken

Vervoeging van afbranden

afbrandenhele werkwoord — brandde afverleden tijd enkelvoud — brandden afverleden tijd meervoud — afgebrandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brand af brandde af
jij brandt af brandde af
hij, zij, het brandt af brandde af
wij branden af brandden af
jullie branden af brandden af
zij branden af brandden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te branden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal branden bijzin, toekomende tijd
af zou branden bijzin, voorwaardelijk
af zouden branden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt branden bijzin, voorwaardelijk
af zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen branden bijzin, toekomende tijd
af zult branden bijzin, toekomende tijd
afbrand bijzin, tegenwoordige tijd
afbrandde bijzin, verleden tijd
afbrandden bijzin, verleden tijd
afbrandend onvoltooid, deelwoord
afbrandt bijzin, tegenwoordige tijd
afgebrand verleden tijd, deelwoord
afgebrand te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebrand te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebrand te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebrand te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebrand te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebrand worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebrand zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebrand zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebrand zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebrand zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brand af gebiedende wijs
brandde af verleden tijd
er is afgebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgebrand impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgebrand impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgebrand worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgebrand zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgebrand worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgebrand zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbranden bijzin, toekomende tijd
zal afgebrand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebrand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbranden bijzin, voorwaardelijk
zou afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbranden af zou(dt) branden bijzin, voorwaardelijk
zouden afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbranden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbranden bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbranden bijzin, toekomende tijd
zullen afgebrand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebrand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘vernietigend beoordelen’ voor het eerst aangetroffen in 1985

Woordfamilie van afbranden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbrand subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbranden
afbrandde subordinate-clause, verleden tijd afbranden
afbrandden subordinate-clause, verleden tijd afbranden
afbrande with-subordinate-clause afbranden
afbrandend onvoltooid deelwoord afbranden
afbrandende woordvorm afbranden
afbrandt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbranden
afgebrand voltooid deelwoord afbranden
brand af gebiedende wijs afbranden
brandde af verleden tijd afbranden
brandden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbranden
brande af woordvorm afbranden
branden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbranden
brandt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afbranden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbranden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afbranden

Wat is de betekenis van afbranden?
Afbranden is een werkwoord. De betekenis is: geheel door brand teloorgaan. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afbranden?
Zo vervoeg je afbranden zo: het voltooid deelwoord is afgebrand. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbranden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. R 2
  5. A 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbranden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. R 2
  5. A 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbranden in het kort

afbranden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afbranden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afbranden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afbranden: geheel door brand teloorgaan
Deel afbranden — standaardnederlands.nl