adverteren
werkwoordBetekenis
- tegen betaling kennisgeven van iets in de media, reclame maken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van adverteren
adverterenhele werkwoord — adverteerdeverleden tijd enkelvoud — adverteerdenverleden tijd meervoud — geadverteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | adverteer | adverteerde |
| jij | adverteert | adverteerde |
| hij, zij, het | adverteert | adverteerde |
| wij | adverteren | adverteerden |
| jullie | adverteren | adverteerden |
| zij | adverteren | adverteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adverteer | gebiedende wijs |
| adverteerde | verleden tijd |
| advertere | aanvoegende wijs |
| adverterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geadverteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geadverteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geadverteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geadverteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geadverteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geadverteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geadverteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geadverteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geadverteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geadverteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geadverteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geadverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te adverteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geadverteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen adverteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geadverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen adverteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult adverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geadverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘openbaar bekendmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van adverteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adverteer | gebiedende wijs | adverteren |
| adverteerde | verleden tijd | adverteren |
| adverteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | adverteren |
| adverteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | adverteren |
| advertere | aanvoegende wijs | adverteren |
| adverterend | onvoltooid deelwoord | adverteren |
| adverterende | woordvorm | adverteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adverteren zijn vastgelegd.