Naar de inhoud

adresseren

een adres ter verzending op een poststuk aanbrengen

adresseren

werkwoord

Betekenis

  1. een adres ter verzending op een poststuk aanbrengen
  2. het adres in een computergeheugen benaderen voor het lezen of opslaan van gegevens

Vervoeging van adresseren

adresserenhele werkwoord — adresseerdeverleden tijd enkelvoud — adresseerdenverleden tijd meervoud — geadresseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik adresseer adresseerde
jij adresseert adresseerde
hij, zij, het adresseert adresseerde
wij adresseren adresseerden
jullie adresseren adresseerden
zij adresseren adresseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
adresseer gebiedende wijs
adresseerde verleden tijd
adressere aanvoegende wijs
adresserend onvoltooid, deelwoord
ben geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geadresseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geadresseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geadresseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geadresseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geadresseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geadresseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geadresseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geadresseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geadresseerd verleden tijd, deelwoord
geadresseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geadresseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geadresseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geadresseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geadresseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geadresseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geadresseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geadresseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geadresseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geadresseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geadresseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geadresseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geadresseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geadresseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geadresseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geadresseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geadresseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geadresseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te adresseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geadresseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen adresseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geadresseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geadresseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geadresseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geadresseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geadresseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geadresseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geadresseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geadresseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geadresseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geadresseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geadresseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt adresseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geadresseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geadresseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen adresseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geadresseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geadresseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geadresseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult adresseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geadresseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geadresseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geadresseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aan iem. richten’ voor het eerst aangetroffen in 1512

Woordfamilie van adresseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
adresseer gebiedende wijs adresseren
adresseerde verleden tijd adresseren
adresseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon adresseren
adresseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon adresseren
adressere aanvoegende wijs adresseren
adresserend onvoltooid deelwoord adresseren
adresserende woordvorm adresseren
geadresseerd voltooid deelwoord adresseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adresseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over adresseren

Wat is de betekenis van adresseren?
Adresseren is een werkwoord. De betekenis is: een adres ter verzending op een poststuk aanbrengen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik adresseren?
Zo vervoeg je adresseren zo: de tegenwoordige tijd is adresseer, de verleden tijd is adresseerde en het voltooid deelwoord is geadresseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord adresseren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. D 2
  3. R 2
  4. E 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

adresseren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. D 2
  3. R 2
  4. E 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 zonder bonus
  12. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (D) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

adresseren in het kort

adresseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van adresseren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort adresseren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

adresseren: een adres ter verzending op een poststuk aanbrengen
Deel adresseren — standaardnederlands.nl