Naar de inhoud

actievoeren

actie ondernemen om te trachten een (politiek) doel te bereiken

actievoeren

werkwoord

Betekenis

  1. actie ondernemen om te trachten een (politiek) doel te bereiken

Vervoeging van actievoeren

actievoerenhele werkwoord — voerde actieverleden tijd enkelvoud — voerden actieverleden tijd meervoud — actiegevoerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik voer actie voerde actie
jij voert actie voerde actie
hij, zij, het voert actie voerde actie
wij voeren actie voerden actie
jullie voeren actie voerden actie
zij voeren actie voerden actie
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
actie te voeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
actie te zullen voeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
actie zal voeren bijzin, toekomende tijd
actie zou voeren bijzin, voorwaardelijk
actie zouden voeren bijzin, voorwaardelijk
actie zoudt voeren bijzin, voorwaardelijk
actie zullen voeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
actie zullen voeren bijzin, toekomende tijd
actie zult voeren bijzin, toekomende tijd
actiegevoerd verleden tijd, deelwoord
actiegevoerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
actiegevoerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
actievoer bijzin, tegenwoordige tijd
actievoerde bijzin, verleden tijd
actievoerden bijzin, verleden tijd
actievoerend onvoltooid, deelwoord
actievoert bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had actiegevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had actiegevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had actiegevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden actiegevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden actiegevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden actiegevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt actiegevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben actiegevoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft actiegevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben actiegevoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen actievoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voer actie gebiedende wijs
voerde actie verleden tijd
zal actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal actievoeren bijzin, toekomende tijd
zou actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou actievoeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) actievoeren actie zou(dt) voeren bijzin, voorwaardelijk
zouden actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden actievoeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt actiegevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt actievoeren bijzin, voorwaardelijk
zullen actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen actievoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen actievoeren bijzin, toekomende tijd
zult actiegevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult actievoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult actievoeren bijzin, toekomende tijd
zult/zal actievoeren actie zult/zal voeren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van actie en voeren

Woordfamilie van actievoeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
actiegevoerd voltooid deelwoord actievoeren
actievoer subordinate-clause, tegenwoordige tijd actievoeren
actievoerde subordinate-clause, verleden tijd actievoeren
actievoerden subordinate-clause, verleden tijd actievoeren
actievoere with-subordinate-clause actievoeren
actievoerend onvoltooid deelwoord actievoeren
actievoerende woordvorm actievoeren
actievoert subordinate-clause, tegenwoordige tijd actievoeren
voer actie gebiedende wijs actievoeren
voerde actie verleden tijd actievoeren
voerden actie aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon actievoeren
voere actie woordvorm actievoeren
voeren actie aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon actievoeren
voert actie aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon actievoeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van actievoeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over actievoeren

Wat betekent actievoeren?
Actievoeren is een werkwoord. Het woord betekent: actie ondernemen om te trachten een (politiek) doel te bereiken.
Hoe vervoeg je actievoeren?
Je vervoegt actievoeren als volgt: het voltooid deelwoord is actiegevoerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord actievoeren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. C 5
  3. T 2
  4. I 1
  5. E 1
  6. V 4
  7. O 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

actievoeren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. C 5
  3. T 2
  4. I 2
  5. E 1
  6. V 4
  7. O 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

actievoeren in het kort

actievoeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van actievoeren zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort actievoeren bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

actievoeren: actie ondernemen om te trachten een (politiek) doel te bereiken
Deel actievoeren — standaardnederlands.nl