achteruitslaan
werkwoord ˌɑxtəˈrœytslanBetekenis
- achterwaarts trappen
- in tegengestelde richting draaien, zodat het schip achteruit getrokken wordt
Hoe spreek je achteruitslaan uit?
/ˌɑxtəˈrœytslan/
Achteruitslaan bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| œy | huis |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van achteruitslaan
achteruitslaanhele werkwoord — sloeg achteruitverleden tijd enkelvoud — sloegen achteruitverleden tijd meervoud — achteruitgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla achteruit | sloeg achteruit |
| jij | slaat achteruit | sloeg achteruit |
| hij, zij, het | slaat achteruit | sloeg achteruit |
| wij | slaan achteruit | sloegen achteruit |
| jullie | slaan achteruit | sloegen achteruit |
| zij | slaan achteruit | sloegen achteruit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| achteruit te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| achteruit te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| achteruit zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| achteruit zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| achteruit zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| achteruit zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| achteruit zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| achteruit zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| achteruit zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| achteruitgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| achteruitgeslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| achteruitgeslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| achteruitsla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| achteruitslaand | onvoltooid, deelwoord |
| achteruitslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| achteruitsloeg | bijzin, verleden tijd |
| achteruitsloegen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt achteruitgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben achteruitgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft achteruitgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla achteruit | gebiedende wijs |
| sloeg achteruit | verleden tijd |
| te hebben achteruitgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen achteruitslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal achteruitslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou achteruitslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) achteruitslaan achteruit zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden achteruitslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt achteruitgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt achteruitslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen achteruitslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen achteruitslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult achteruitgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult achteruitslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult achteruitslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal achteruitslaan achteruit zult/zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van achteruit en slaan
Woordfamilie van achteruitslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| achteruitgeslagen | voltooid deelwoord | achteruitslaan |
| achteruitsla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | achteruitslaan |
| achteruitslaand | onvoltooid deelwoord | achteruitslaan |
| achteruitslaande | woordvorm | achteruitslaan |
| achteruitslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | achteruitslaan |
| achteruitsloeg | subordinate-clause, verleden tijd | achteruitslaan |
| achteruitsloegen | subordinate-clause, verleden tijd | achteruitslaan |
| sla achteruit | gebiedende wijs | achteruitslaan |
| slaan achteruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | achteruitslaan |
| slaat achteruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | achteruitslaan |
| sloeg achteruit | verleden tijd | achteruitslaan |
| sloegen achteruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | achteruitslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van achteruitslaan zijn vastgelegd.