achteruitlopen
werkwoordBetekenis
- van minder belang worden, naar achteren lopen zonder omdraaien, verslechteren
Vervoeging van achteruitlopen
achteruitlopenhele werkwoord — liep achteruitverleden tijd enkelvoud — liepen achteruitverleden tijd meervoud — achteruitgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop achteruit | liep achteruit |
| jij | loopt achteruit | liep achteruit |
| hij, zij, het | loopt achteruit | liep achteruit |
| wij | lopen achteruit | liepen achteruit |
| jullie | lopen achteruit | liepen achteruit |
| zij | lopen achteruit | liepen achteruit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| achteruit te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| achteruit te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| achteruit zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| achteruit zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| achteruit zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| achteruit zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| achteruit zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| achteruit zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| achteruit zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| achteruitgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| achteruitgelopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| achteruitgelopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| achteruitliep | bijzin, verleden tijd |
| achteruitliepen | bijzin, verleden tijd |
| achteruitloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| achteruitloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| achteruitlopend | onvoltooid, deelwoord |
| ben achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep achteruit | verleden tijd |
| loop achteruit | gebiedende wijs |
| te zijn achteruitgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen achteruitlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was achteruitgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal achteruitlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn achteruitgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt achteruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou achteruitlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) achteruitlopen achteruit zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden achteruitlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt achteruitgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt achteruitlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen achteruitlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen achteruitlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult achteruitgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult achteruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult achteruitlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal achteruitlopen achteruit zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van achteruit en lopen
Woordfamilie van achteruitlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| achteruitgelopen | voltooid deelwoord | achteruitlopen |
| achteruitliep | subordinate-clause, verleden tijd | achteruitlopen |
| achteruitliepen | subordinate-clause, verleden tijd | achteruitlopen |
| achteruitloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | achteruitlopen |
| achteruitloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | achteruitlopen |
| achteruitlope | with-subordinate-clause | achteruitlopen |
| achteruitlopend | onvoltooid deelwoord | achteruitlopen |
| achteruitlopende | woordvorm | achteruitlopen |
| liep achteruit | verleden tijd | achteruitlopen |
| liepen achteruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | achteruitlopen |
| loop achteruit | gebiedende wijs | achteruitlopen |
| loopt achteruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | achteruitlopen |
| lope achteruit | woordvorm | achteruitlopen |
| lopen achteruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | achteruitlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van achteruitlopen zijn vastgelegd.