achterste
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zitvlak, bips
- wie of wat het laatst in een rij is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| achtersten | meervoud |
Woordvorm
- verbogen vorm van de stellende trap van achterst
Herkomst
In de betekenis van ‘billen’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van achterste
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| achtersten | meervoud | achterste |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van achterste zijn vastgelegd.