achterlopen
werkwoordBetekenis
- een vroegere tijd aangeven dan de juiste
Vervoeging van achterlopen
achterlopenhele werkwoord — liep achterverleden tijd enkelvoud — liepen achterverleden tijd meervoud — achtergelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop achter | liep achter |
| jij | loopt achter | liep achter |
| hij, zij, het | loopt achter | liep achter |
| wij | lopen achter | liepen achter |
| jullie | lopen achter | liepen achter |
| zij | lopen achter | liepen achter |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| achter te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| achter te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| achter zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| achter zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| achter zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| achter zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| achter zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| achter zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| achter zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| achtergelopen | verleden tijd, deelwoord |
| achtergelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| achtergelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| achterliep | bijzin, verleden tijd |
| achterliepen | bijzin, verleden tijd |
| achterloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| achterloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| achterlopend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had achtergelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had achtergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had achtergelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden achtergelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden achtergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden achtergelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt achtergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben achtergelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft achtergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep achter | verleden tijd |
| loop achter | gebiedende wijs |
| te hebben achtergelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen achterlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal achterlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou achterlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) achterlopen achter zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden achterlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt achtergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt achterlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen achterlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen achterlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult achtergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult achterlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult achterlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal achterlopen achter zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van achter en lopen
Woordfamilie van achterlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| achtergelopen | voltooid deelwoord | achterlopen |
| achterliep | subordinate-clause, verleden tijd | achterlopen |
| achterliepen | subordinate-clause, verleden tijd | achterlopen |
| achterloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | achterlopen |
| achterloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | achterlopen |
| achterlope | with-subordinate-clause | achterlopen |
| achterlopend | onvoltooid deelwoord | achterlopen |
| achterlopende | woordvorm | achterlopen |
| liep achter | verleden tijd | achterlopen |
| liepen achter | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | achterlopen |
| loop achter | gebiedende wijs | achterlopen |
| loopt achter | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | achterlopen |
| lope achter | woordvorm | achterlopen |
| lopen achter | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | achterlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van achterlopen zijn vastgelegd.