accrediteren
werkwoordBetekenis
- een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
Vervoeging van accrediteren
accrediterenhele werkwoord — accrediteerdeverleden tijd enkelvoud — accrediteerdenverleden tijd meervoud — geaccrediteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | accrediteer | accrediteerde |
| jij | accrediteert | accrediteerde |
| hij, zij, het | accrediteert | accrediteerde |
| wij | accrediteren | accrediteerden |
| jullie | accrediteren | accrediteerden |
| zij | accrediteren | accrediteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| accrediteer | gebiedende wijs |
| accrediteerde | verleden tijd |
| accreditere | aanvoegende wijs |
| accrediterend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geaccrediteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geaccrediteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geaccrediteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geaccrediteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geaccrediteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geaccrediteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geaccrediteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geaccrediteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaccrediteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaccrediteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaccrediteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaccrediteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccrediteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccrediteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccrediteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaccrediteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaccrediteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaccrediteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaccrediteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaccrediteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te accrediteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaccrediteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen accrediteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geaccrediteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geaccrediteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geaccrediteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccrediteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geaccrediteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaccrediteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaccrediteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen accrediteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geaccrediteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaccrediteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaccrediteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult accrediteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaccrediteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geaccrediteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geaccrediteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘van geloofsbrieven voorzien’ voor het eerst aangetroffen in 1734
Woordfamilie van accrediteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| accrediteer | gebiedende wijs | accrediteren |
| accrediteerde | verleden tijd | accrediteren |
| accrediteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | accrediteren |
| accrediteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | accrediteren |
| accreditere | aanvoegende wijs | accrediteren |
| accrediterend | onvoltooid deelwoord | accrediteren |
| accrediterende | woordvorm | accrediteren |
| geaccrediteerd | voltooid deelwoord | accrediteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van accrediteren zijn vastgelegd.