accentueren
werkwoordBetekenis
- de nadruk leggen op
- nadruk verdelen over
- klemtoon aangeven
- sterk doen uitkomen
Vervoeging van accentueren
accentuerenhele werkwoord — accentueerdeverleden tijd enkelvoud — accentueerdenverleden tijd meervoud — geaccentueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | accentueer | accentueerde |
| jij | accentueert | accentueerde |
| hij, zij, het | accentueert | accentueerde |
| wij | accentueren | accentueerden |
| jullie | accentueren | accentueerden |
| zij | accentueren | accentueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| accentueer | gebiedende wijs |
| accentueerde | verleden tijd |
| accentuere | aanvoegende wijs |
| accentuerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geaccentueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geaccentueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geaccentueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geaccentueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geaccentueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geaccentueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geaccentueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geaccentueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaccentueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaccentueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaccentueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaccentueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccentueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccentueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccentueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaccentueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaccentueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaccentueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaccentueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaccentueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te accentueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaccentueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen accentueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geaccentueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geaccentueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geaccentueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccentueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geaccentueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaccentueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaccentueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen accentueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geaccentueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaccentueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaccentueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult accentueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaccentueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geaccentueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geaccentueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse accentuer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van accentueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| accentueer | gebiedende wijs | accentueren |
| accentueerde | verleden tijd | accentueren |
| accentueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | accentueren |
| accentueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | accentueren |
| accentuere | aanvoegende wijs | accentueren |
| accentuerend | onvoltooid deelwoord | accentueren |
| accentuerende | woordvorm | accentueren |
| geaccentueerd | voltooid deelwoord | accentueren |
| geaccentueerde | woordvorm | accentueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van accentueren zijn vastgelegd.