Naar de inhoud

accentueren

de nadruk leggen op

accentueren

werkwoord

Betekenis

  1. de nadruk leggen op
  2. nadruk verdelen over
  3. klemtoon aangeven
  4. sterk doen uitkomen

Vervoeging van accentueren

accentuerenhele werkwoord — accentueerdeverleden tijd enkelvoud — accentueerdenverleden tijd meervoud — geaccentueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik accentueer accentueerde
jij accentueert accentueerde
hij, zij, het accentueert accentueerde
wij accentueren accentueerden
jullie accentueren accentueerden
zij accentueren accentueerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
accentueer gebiedende wijs
accentueerde verleden tijd
accentuere aanvoegende wijs
accentuerend onvoltooid, deelwoord
ben geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geaccentueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geaccentueerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geaccentueerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geaccentueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geaccentueerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geaccentueerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geaccentueerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geaccentueerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geaccentueerd verleden tijd, deelwoord
geaccentueerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geaccentueerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geaccentueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaccentueerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaccentueerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geaccentueerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geaccentueerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geaccentueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geaccentueerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geaccentueerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geaccentueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geaccentueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geaccentueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geaccentueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geaccentueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geaccentueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geaccentueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geaccentueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te accentueren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geaccentueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen accentueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geaccentueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geaccentueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geaccentueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geaccentueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geaccentueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geaccentueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geaccentueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geaccentueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geaccentueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geaccentueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geaccentueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt accentueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geaccentueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geaccentueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen accentueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geaccentueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geaccentueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geaccentueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult accentueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geaccentueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geaccentueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geaccentueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse accentuer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van accentueren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
accentueer gebiedende wijs accentueren
accentueerde verleden tijd accentueren
accentueerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon accentueren
accentueert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon accentueren
accentuere aanvoegende wijs accentueren
accentuerend onvoltooid deelwoord accentueren
accentuerende woordvorm accentueren
geaccentueerd voltooid deelwoord accentueren
geaccentueerde woordvorm accentueren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van accentueren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over accentueren

Wat is de betekenis van accentueren?
Accentueren is een werkwoord. De betekenis is: de nadruk leggen op. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik accentueren?
Zo vervoeg je accentueren zo: de tegenwoordige tijd is accentueer, de verleden tijd is accentueerde en het voltooid deelwoord is geaccentueerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord accentueren is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. C 5
  3. C 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. U 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

accentueren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. C 5
  3. C 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. U 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

accentueren in het kort

accentueren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van accentueren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort accentueren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

accentueren: de nadruk leggen op
Deel accentueren — standaardnederlands.nl