absenteren
werkwoordBetekenis
- zich ~: zich eventjes verwijderen
Vervoeging van absenteren
absenterenhele werkwoord — absenteerdeverleden tijd enkelvoud — absenteerdenverleden tijd meervoud — geabsenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | absenteer | absenteerde |
| jij | absenteert | absenteerde |
| hij, zij, het | absenteert | absenteerde |
| wij | absenteren | absenteerden |
| jullie | absenteren | absenteerden |
| zij | absenteren | absenteerden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| absenteer | gebiedende wijs |
| absenteer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| absenteer u/je , absenteert je | gebiedende wijs |
| absenteerde | verleden tijd |
| absenteerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| absenteerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| absenteerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| absenteerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| absenteerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| absenteerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| absenteerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| absenteerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| absenteerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| absenteerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| absenteert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| absenteert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| absenteert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| absenteert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| absenteert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| absenteert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| absentere | aanvoegende wijs |
| absentere zich | aanvoegende wijs |
| absenteren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| absenteren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| absenteren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| absenterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geabsenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geabsenteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geabsenteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geabsenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geabsenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geabsenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te absenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geabsenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen absenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me absenteren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich absenteren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je absenteren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich absenterend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geabsenteerd hebben | verleden tijd |
| zou absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geabsenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen absenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je absenteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons absenteren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich absenteren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult absenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geabsenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u absenteren | tweede persoon |
| zult u absenteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u absenteren | tweede persoon |
| zult zich/u absenteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(zich...) zich verwijderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1448
Woordfamilie van absenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| absenteer | gebiedende wijs | absenteren |
| absenteerde | verleden tijd | absenteren |
| absenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | absenteren |
| absenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | absenteren |
| absenterend | onvoltooid deelwoord | absenteren |
| absenterende | woordvorm | absenteren |
| geabsenteerd | voltooid deelwoord | absenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van absenteren zijn vastgelegd.